Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
85.
eenen korten staart. Kent gij nog een dier met lange
ooren ? — Heeft de rat ook eenen korten staart ? — Het konijn
heeft korte voorpooten en lange achterpooten. Daarom
springt het meestal. Het is zeer vlug. In de duinen
vindt men vele konijnen. Zij graven holen in den grond.
Men schiet de konijnen en vangt ze ook met strikken en
met de hand. Het konijn is zeer teer. Men braadt het
geschoten of geslagte konijn. Dat is konijnebout. Noem
andere bouten ! Van het konijnevel maakt men bont. Van
welke vellen maakt men nog meer bont ? — Sommige menschen
houden levende konijnen voor pleizier. Welke dieren houdt
men nog meer voor pleizier? — Waarvoor houdt men var-
kens, kippen, koeijen?
OEFENINGEN.
1. Beschrijf den haas! (van Ldmmel , reeks,
l8te Afd. Plaat 20.)
2. Wie? Wat? Wat doet? Watvoor? Welk?
Voor wie? voorde menschen, voorde konijnen.
enz. enz.
Waarmede? Waarvan? Waarvoor?
60. De Jongen met het Net.
(BruGSMA. Plaat 11. N». 1.)
Daar zie ik eenen jongen met een net en daar eene kapel.
De kapel vliegt weg en de jongen loopt haar na. Waarom
vliegt de kapel weg? Zij vreest voor den Jongen. Wat
wil de jongen doen ? Hij wil de kapel met het net vangen.
Waarom vangen de kinderen kapellen ? De kindereu willen
de kapellen goed zien. Zij vinden de kapellen mooi. Er
zijn velerlei kapellen, als: witte, gele, bonte kapellen.
Zij hebben mooije kleuren. Hebt gij wel eens rupsen
gezien? — De rupsen worden poppen. De poppen worden
kapellen. Kapellen zijn insekten. Noem andere insekten!
Wanneer zijn er kapellen ? — Zij hebben vleugels en pooten.
Wat nog meer ? — De vogels vangen ook kapellen; zij eten