Boekgegevens
Titel: De toesteloefeningen voor de lagere school: theoretisch-praktische handleiding voor het onderwijs in toesteloefeningen aan jongens en meisjes
Auteur: Boom, J.A. van der
Uitgave: Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & zoon, 1892 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2024
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204803
Onderwerp: Pedagogiek: lichamelijke opvoeding
Trefwoord: Gymnastiektoestellen, Oefeningen, Vakdidactiek
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De toesteloefeningen voor de lagere school: theoretisch-praktische handleiding voor het onderwijs in toesteloefeningen aan jongens en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
helper zich moet bevinden en van de wijze waarop de leerlingen
moeten worden aangevat.
In de lagere klassen zal het hulpverleenen wel tot de uitzon-
deringen behooren, daar de te verwerken leerstof hier zeer een-
voudig en gevaarloos is. Blijkt het echter toch noodig, dan zal
de onderwijzer steeds zelf moeten helpen. De leerlingen steeds te
helpen in de uitvoering hunner oefeningen is echter niet aan te
bevelen. Hierdoor wordt eene zekere achteloosheid bevorderd en
allerminst het doel bereikt n.1. moed, zelfstandigheid, zelfver-
trouwen, vlugheid en vaardigheid. Beter zal het zijn de oefeningen
zoo eenvoudig te kiezen, dat de leerlingen ze zelf kunnen uit-
voeren.
Bij het bokspringen, en op middelbare scholen bij de
lengte-sprongen aan het paard, zal het echter nood-
zakelijk blijken dat de onderwijzer zelf hulp verleent. De onder-
wijzer plaatst zich hierbij rechts of links aan de matras-zijde van
bok of paard en grijpt den aanspringenden leerling bij den
bovenann aan.
Bij het ver- of hoogspringen plaatst de onderwijzer zich rechts
of links van de ruimte tusschen plank en matras, het meest nabij
de plank. Bovendien kan nog een leerling op de matras geplaatst
worden. Het op de matras plaats nemen van den onderwijzer is
volstrekt niet noodzakelijk, daar het bijna niets te beteekenen
heeft indien een leerling daarop valt en deze plaats, om het t e
ver springen te voorkomen, door een of twee leerlingen kan
worden ingenomen. De momenten welke eenig gevaar kunnen op-
leveren zijn: de afstoot en de te kort berekende sprong. Stoot
de leerling op den kant der springplank af, dan bestaat kans
voor uitglijden en een val achterover op de plank. De zich in
de nabijheid van de plank bevindende onderwijzer is nu in de
gelegenheid, den leerling te grijpen. Bij een te kort berekenden