Boekgegevens
Titel: De toesteloefeningen voor de lagere school: theoretisch-praktische handleiding voor het onderwijs in toesteloefeningen aan jongens en meisjes
Auteur: Boom, J.A. van der
Uitgave: Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & zoon, 1892 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2024
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204803
Onderwerp: Pedagogiek: lichamelijke opvoeding
Trefwoord: Gymnastiektoestellen, Oefeningen, Vakdidactiek
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De toesteloefeningen voor de lagere school: theoretisch-praktische handleiding voor het onderwijs in toesteloefeningen aan jongens en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
(zweeft), eindigende met een veerkrachtig neerkomen op den
bodem. Het zweven kan gesteund en verhoogd worden door de
hang(buig)kracht van de armen (polsstok). De afstoot kan even-
zeer versterkt worden door de buig- of strekkracht der bovenste
ledematen, zooals bij het rek-Iijn, bok- en paardspringen het
geval is.
Het hangen wordt onderscheiden in: gestrekten en gebogen
hang. Door combinatie met steunen der voeten op den grond
wordt de gemengde hang (gestrekte of gebogen) verkregen.
Met steunen is dezelfde verdeeling van toepassing; ook hierbij
spreekt men van gebogen, gestrekten en gemeng-
de n steun.
Naar de wijze waarop aan een toestel wordt gehangen of ge-
steund, onderscheidt men: dwarshang (steun) of zijdelingsche-
hang (steun).
Men hangt, steunt of zit dwars, indien de breedte-as van het
lichaam loodrecht staat op de lengte-as van het toestel waaraan
gehangen, waarop gesteund of gezeten wordt (vergel. fig. 3).
Loopt de breedte-as des lichaams parallel of in 't verlengde van
het toestel, dan spreekt men van zijhang, zijsteun of zijzit. Men
onderscheidt ook nog schuine zitten, indien de breedte-as des
lichaams, de lengte- en breedte-as van het toestel snijdt.
Naar de richting waarin de voorzijde van het lichaam zich ten
opzichte van het toestel bevindt of beweegt, spreekt men van
voorlings, ruggelings en zijdelings; bij het springen over een
toestel ook wel van wendsprong (voorlings overspringen), keer-
sprong (ruggelings overspringen) en flanksprong (zijdelings over-
springen).
Voorbeelden:
a. Men hangt in den gemengden hang voorlings als bij
fig. 18 en 23;