Boekgegevens
Titel: De toesteloefeningen voor de lagere school: theoretisch-praktische handleiding voor het onderwijs in toesteloefeningen aan jongens en meisjes
Auteur: Boom, J.A. van der
Uitgave: Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & zoon, 1892 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2024
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204803
Onderwerp: Pedagogiek: lichamelijke opvoeding
Trefwoord: Gymnastiektoestellen, Oefeningen, Vakdidactiek
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De toesteloefeningen voor de lagere school: theoretisch-praktische handleiding voor het onderwijs in toesteloefeningen aan jongens en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
omdat, naar de bekende uitspraak van Juvenalis, een gezond
lichaam de beste woonplaats is voor een gezonde ziel.
,,Het bevorderen der gezondheid is echter niet de eenige plicht,
welke de opvoeding aan de jeugd verschuldigd is. Het lichamelijk
opvoeden van den jeugdigen mensch is niet alleen een waken tegen
ziekte, maar ook het tot volle ontwikkeling brengen van de
lichamelijke kracht en bedrevenheid, waartoe hem de aanleg, bij
zijne komst op de wereld werd mede gegeven.
,,0m dit te erkennen behoeft men slechts den blik te slaan op
de lichamelijke ontwikkeling van de jeugd op het land. Aan deze
ontbreekt het in den regel veel minder dan aan de stadsjeugd aan
lichaamsbeweging en het genot der vrije lucht; zij zou dus
uit een hygiënisch oogpunt nauwelijks kunstmatige lichaamsoefe-
ningen noodig hebben. Ja, zij staat ook in krachtsontwikkeling
en volharding — een gevolg van haar deelname aan den land-
arbeid — in het algemeen boven de stadsjeugd. Evenwel toont
zij zich, in gevallen van onverwachte of ongewone inbeslagneming
van haar lichamelijke bekwaamheid, veel meer onbeholpen en
ongeschikt als gene, bij wie de eenzijdigheid van den lichame-
lijken arbeid zich minder doet gevoelen en waardoor de handigheid,
d.i. de geschiktheid, om de voorhanden krachten aan te wenden,
meer ontwikkeld is.
„Dit blijkt ook bij de oefening in den militairen dienst, die
bij recruten van het platte land gewoonlijk meer moeite en tijd
vordert dan bij zulken uit de stad. Ook de ondervinding in de
Turnvereenigingen leert, dat de gezondere levenswijze der landjeugd
haar, tengevolge harer eenzijdige werkzaamheden, geen voorrang
boven de stadslieden geeft. Deze laatsten staan zelfs ver boven de land-
jeugd, wat uiterlijke verschijning in houding en beweging aangaat.
„Geheel hetzelfde onderscheid wordt gewoonlijk opgemerkt tus-
schen lichamelijk ongeoefenden en geoefenden.