Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
vroeg; dulden wij niet, dat een kind ileszelfs eerste jaren
vertieze in de gewoonte der ledigheid. Bedenken wij,
dat voor die eerste studiën aUeen geheugen noodig is, en
dat de kinderen dit niet alleen hebben , maar zelfs veel meer
dan wij. Ik ken ook te goed het vermogen van iederen leef-
tijd, om te willen dat men aanstonds een kind zou pla~
gen, en meer van hetzelve vergen, dan het doen kan. Men
moet vooral zich wachten hem het omlerwijs te doen ha-
ten, in eenen tijd, waarop hij hetzelve nog niet kan banin-
nen, uit vrees dat de tegenzin, welke men hem eenmaal
heeft doen gevoelen, hem niet voor altijd afschrikke. liet
leeren moet voor hem een spel ivezen. Ik wil, dal men
hem verzoelx, prijze, Uefkoze, en dat hij altijd blijde
zij datgene geleerd le hebben, wat men wil dat hij zal
weten. Somtijds zal men, hetgeen hij weigert le leeren,
aan een ander onderwijzen; dit is het middel om zijnen
mijver aan te prikkelen; hij zal dien willen overtreffen
en men zal hem doen gelooven, dat hem dit gelukt is. Die
leeftijd is zeer gevoelig voor kleine belooningm, dit is nog
een lokaas, waarvan men zich moet bedienen. Dit zijn
zeer geringe voorschriften voor zoo een groot ontwerp,
als dat, hetwelk ik mij heb voorgesteld. Maar even als
de sterkste ligchamen zwakke beginselen, als de melk
en de wieg, hebben gehad, evenzoo heeft ook de studie
hare kindsehheid.
Lij de hier door quintilianus aangevoerde beweeg-
gronden zal ik er nog eenen anderen bijvoegen,
namelijk , dat als men vroeg zich met de opvoe-
ding van een kind bezig houdt, men ten minste,
tot aan deszelfs twintigste jaar , eene soort van
eenheid in zijne opvoeding invoert. Degene, die het
meest gevolgd wordt, verdeelt zich in drie gedeel-