Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
02
aan eene gewoonlijk Minde (eederlieid geenen aansloot
te geven, de dwaling, waarin zij bijna allen verkee-
ren omtrent den aanleg en hel karakter hunner
kinderen, voedt en vermeerdert; dan miskent hij
zijne regten en de waardigheid van zijne bediening,
en dan reglvaardigt hij de geringe achting, die men
voor hem heeft. Hij is dan niets meer dan een
huurling en de eerste bediende des huizes.
Hoe dikwijls gebeurt het echter niet, dat men
hem als zoodanig beschouwt en behandelt? Men be-
dingt zijne werkzaamheden; men spreekt met min-
achting over zijne bekwaamheden; men doel hem zij-
ne afhankelijkheid gevoelen; en, is hij ongelukkig
genoeg, om in zijnen rampzaligen toestand een
trolsch en gevoelig hart te hebben behouden, dan
bevochtigt hij dagelijks met zijne tranen het brood,
dat men hem geeft. Dit is nog niet alles. De
kinderen, met hoe weinig oordeel ook begaafd, hoe
onoplettend anders ook, zien en volgen weldra het
voorbeeld hunner ouders. In stede, dat zij hunnen
onderwijzer den eerbied en de onderwerping, die zij
hem verschuldigd zijn, zullen betoonen, trachten zij
deze gevoelens voor zich te verkrijgen en die van
hem te vorderen. Buiten staat om te gevoelen, dat
de mensch meer waard is door hetgeen hij zelf heeft
verworven, dan door hetgeen hij aan het toeval te
danken heeft (1), is hun kleine hoogmoed weörspannig
om dengenen te gehoorzamen, aan wien zij zouden
(1) Genus et proavos et quae non feciinus ipsi, vix ea
nostra voeo.
OVIDIÜS.