Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
Dc taak van den leerling is de nioeijelijkste niet.
hij moet gehoorzamen en den weg volgen, waarop
men hem voortdrijft. De hand, die hem in bewe-
ging brengt, moet hem goed besturen. Yan het
oogenbiik af aan, dat men in de toepassing van
het stelsel, hetwelk men heeft aangenomen, begint
te verflaauwen, dan kan men hetzelve opgeven,
dan is alles mislukt.
Het is bijna onmogelijk, dat een vader trachten
kan zijn kind goed op te voeden, indien hij niet
overtuigd is van den invloed, welken de studie op
het geluk des levens uitoefent, en indien hij niet
diep doordrongen is van die gewigtige waarheid,
(lat niets meer tot den roem en de onwrikbaarheid (1)
van eenen Staat bevorderlijk is dan eene opvoeding, welke
(1) Men Tindt in de oudheid een treffend voorbeeld Tan deze
waarheid, PniLoroEMtir, Sparta hebbende ingenomen, dacht dat
er geen zekerder raiddel was om de Lacedemoniërs geheel len
onder te brengen, en hun de middelen te ontnemen om zich
weder te verheffen, dan hen te noodz^iken om afsland te doen
van de opvoeding, door ltcürgüs voorgeschreven , en die sedert
zeven honderd jaren den roem en de kracht van dit Gemeene-
best uitmaakte.
Men kan ook in diontsiüs niliciritasseirsis eene belangrijke plaats
vinden over de middelen, welke aristodemds , tiran van Cumesy
in het werk stelde, om zijne heerschappij te bevestigen , door
de jeugd te verzwakken.
Diontsiüs, tiran van Stjracuse^ had uit wreedheid jegens Dioif;
die toen in ballingschap verkeerde, zijnen zoon van zoo veel ver-
leiding omringd en zijne zeden zoodanig bedorven, dat, toen de
vader hem weder lot de deugd wilde terugbrengen, de ongeluk-
kige jongeling zich liever boven van een huis afwierp , dan
zijne ondeugden te laten varen. ( cobu. pep. )