Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
namelijk alles van hen te verwijderen, wat hunne
driften kan opwekken en hunne onschuld kan be-
derven. Maar gelooft men, dat die verlichte voor-
zigtigheid, dat deze zorgen plaats hebben met drie
of vier honderd jonge lieden, die tegelijk het gesticht
hebben verlaten, en die er twee maanden later te-
rug moeten keeren ? Neen, dat is en dat Aan
niet. Wat gebeurt er? Bij hunne terugkomst dee-
len zij elkander mede, wat zij gezien en gehoord heb-
ben : de kennis van den eenen wordt weldra die van
den anderen: binnen weinige dagen is het onderrigt
algemeen; en zoo hieraan iets ontbrak, zouden de
slechte boeken, welke verscheidene van hen mede-
brengen , en die het hun gelukt is de school
in te brengen, hetzelve voltooijen. iVow accipiunt e
scholis mala isla ^ zegt quintilianüs , sed in scholas
afferml.
Ik zou over dit onderwerp nog kunnen uitweiden ,
maar er zijn in een tafereel altijd eenige gedeelten,
die in de schaduw moeten blijven; en diegene mijner
lezers, die met het inwendige van een opvoedings -
instituut bekend zijn , zullen gevoelen , dat ik veel
minder zeg dan ik zou kunnen zeggen.
Verre van mij zij de gedachten, dat ik de voorzigtig-
heid der onderwijzers in de talrijk bezochte opvoe-
dings-instituten zou willen beschuldigen, en aan het
gebrek aan toezigt het kwaad, waarvan ik zoo even
gesproken heb, zou willen wijten. Ik ben innerlijk
overtuigd, dat zij alles doen wat zij kunnen en moe-
ten , om hetzelve te verhinderen; maar hunne zor-
gen zijn vruchteloos, en het eenige, waartoe die kunnen
strekken, is hetzelve eenigzins te vertragen. Er is-