Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
woonte tot onmatigheid aanneemt, en dat de minste
verandering in zijne leefvrijzc voor hem eene bron
wordt van ontberingen en onaangenaamheden. Een kind
moet leeren met alles tevreden te zijn. Het een-
voudigste voedsel is hetgeen het best voor hem ge-
schikt is; hij zal hetzelve overal vinden ; en, in
welken staat hij ooit geplaatst worde, zal hij zich
steeds weten te redden. Dc kracht en frischheid,
die de Perzen en Chaldeërs in hunnen ouderdom
genoten , waren zij aan hun gerstenbrood en bron-
water verschuldigd. Verwacht alles van een kind,
voor hetwelk deze leefwijze voldoende is. Dit is
bijna degene , die in de opvoedings - gestichten aange-
nomen is: ook weet men daar van geen maag
overladen, en al de kwalen, die daaruit voor het
tegenwoordige en de toekomst ontstaan. De kwee-
keling geniet er veel, dikwijls zelfs eene hevige
ligchaamsbeweging ; maar de vermoeidheid ontwikkelt
zijne krachten , cn geeft hem een sterk gestel,
dat, op deszelfs beurt op zijne verstandelijke ver-
mogens werkende, hieraan eene kracht geeft, welke
niet bestaat bij het kind, hetwelk in het ouderlijk
huis weekelijk is opgevoed.
Een ander gebrek van de huisselijke opvoeding
zijn die zoo menigvuldige verstrooijingen , die in al-
len opzigte voor den leerling zoo schadelijk zijn.
Men ziet ouders hunne kinderen naar bals, naar den
schouwburg (1) medenemen, en hen aan de verlei-
(1) Lodewijk ïit vraagde aan bossdkt , wat hij van den
schouwburg dacht. » Sire," antwoordde bossdet , » er zijn groote
voorbeelden vóór, er zijn onweersprekelijke gronden tegen."
3*