Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
liecrschcn medebrengen, welke hem van zijne jeugd
af aan is ingeprent, en welken hij gedurende dezelve
heeft behouden. Geen rigtig denkbeeld hebbende van
de pligten , welke hem zijn stand als menseh op-
legt, zal hij voor anderen niets weten tc doen, en
zeer verwonderd zijn , dat men niet alles voor hem
doet. De uitwerking, welke zijne kundigheden op
zijn oordeel en zijn verstand mogten uitoefenen , zal
bijna nietig zijn, omdat alles wat hem omringde bij-
gedragen zal hebben, om het eene te vervalschen en
het andere in eene verkeerde rigting te brengen;
gelukkig nog indien het gebrek zijner opvoeding zijn
karakter niet veranderd en zijn hart niet bedorven heeft,
en indien hij niet vroegtijdig heeft geleerd, dat hoe
meer hij verheven zal zijn, hoe meer men voor zij-
ne hartstogten en ondeugden de achting zal toonen,
waarvan zijn persoon reeds het voorwerp is.
De geschiedenis van Frankrijk levert mij hier-
omtrent een' opmerkenswaardigen trek, welke hier
natuurlijk ter regter plaatse kan staan. Karel de
Groote had eene school in zijn paleis, en woonde
dikwijls de examina bij. Eens zeer ontevreden zijn-
de over de vorderingen der jongelieden, zeide hij
hun: « Gij gelooft, omdat gij rijk zijt, omdat gij
de zonen zijt van de eersten van het rijk, dat uwe
geboorte en uw rijkdom voor u voldoende zijn;
dat gij deze studiën, die u zooveel eer zouden aan-
doen, niet noodig hebt; gij schept genoegen in een
verwijfd leven, gij denkt enkel aan luiheid, aan het
spel en aan de vermaken; maar ik zweer bij God,
die mij hoort, dat ik dien adel, die rijkdommen,
welke algemeene achting verwerven, niet acht, eu