Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
ren der edelen en der krijgslieden bij hunne geboorte
een klein zwaard in dc regter - , en een schild in de
linkerhand. Aan de kinderen van het volk jjaf hij
de werktuigen van het handwerk des vaders. De-
ze gebruiken bestaan niet meer.
Indien de invloed, waarvan ik spreek, niet betwijfeld
kan worden, van hoeveel gewigt is het dan niet de
eerste denkbeelden van een kind te beheerschen ; de-
zelve te besturen en naar het goede te leiden; zijne
neigingen gade te slaan, en niets na te laten om
diegene te onderdrukken, die hem eenmaal zouden
kwellen, en die, volgens de uitdrukking der Hei-
lige Schrift, gelijken naar den worm, die nicl sterft;
minder te trachten hem de zoo moeijelijk te onder-
scheiden waarheid te doen kennen, dan de dwa-
ling van hem te verwijderen, die dezelve voor hem
verbergt.
Gedurende de acht of tien eerste jaren heeft een
kind weinig denkbeelden, die hem eigen zijn. Hij
heeft slechts diegene, welke hij van uitwendige voor-
werpen ontvangt, en men kan zeggen, dat bij eer-
der voorstellingen dan denkbeelden beeft: het is een
lijdend wezen, dat de aandrift volgl, welke daaraan
gegeven wordt, en hetwelk gemakkelijk te buigen
en te leiden is. Maar om hierin te slagen, is
geen oogenbiik te verliezen; men denkt er soms te
laat aan, en men wijt aan de natuur, wat enkel
het werk der menschen is. Ik heb kinderen van
vijf of zes jaren gezien, die allen, welke hen om-
ringden , behecrschten, die den minsten tegenstand
niet konden verdragen, en die reeds eene hevigheid
van Larlsloglen lieten blijken, die door hunne maslo-