Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
244
bij Icn minste , evea als zoo vele anderen, denzelven
niet geheel zal hebben verloren (1).
Slaan wij nu de oogen op onzen kweekeliug, wan-
neer hij, achttien jaren bereikt hebbendej, opgehouden
heeft door zijnen leermeester bestuurd te worden.
Op dien leeftijd is zijne opvoeding verre van vol-
tooid te zijn, maar hij beeft alles, wat hij noodig
heeft om dezelve alleen voort te zetten; de gewoonte
der werkzaamheid, het verlangen om zijne studiën
uit te breiden en te volmaken, den lust, die dezelve
regelt, cn vooral het oordeel , dat hem leert daarvan
nut te trekken.
Bij zijne intrede in de wereld zoekt hij minder
zijne bekwaamheden te vertoonen, dan dezelve te ver-
meerderen ; en daartoe volgt bij bet voorschrift van
PYTHAGORAS, cn luistcrt veel (2), maar spreekt wei-
nig. Hij weet dat spreken zaaijen; dat luisteren
oogsten is. Wordt hij ondervraagd, dan antwoordt
hij met weinig woorden, en welk gevoel hij ook
hebbe van zijne krachten, wacht hij zich wel eene
meerderheid te laten blijken, welke de jonge lieden
kwetsen, en degenen , die ouder zijn dan hij, vernede-
ren zou: wel verre dus van den beslissenden toon
der eersten te hebben, schijnt bij zich bij de ouderen
(1) Apuleus doet ons een gebruik kennen , hetwelk de wijze
Indianen bij de opvoeding; banner kinderen hadden aangenomen.
Elk dezer laatsten moest rekenschap geven van het gebruik van
den morgen , en hij , die niet bewijzen kon iets nuttigs verrigt
te hebben, moest werken, terwijl de anderen het middagmaal
gebruikten.
(2) Je meurs content, on n'ccoute plus , zeide rojiiEmiiE.