Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
2Ü()
pn ligtzinnigheid, dan dat hetgeen hij leert zich in
zijn geheugen prenten zou ; men moet zijne aandacht
met geweld op de voorwerpen vestigen , om dezelve
eenigen lijd daarbij te bepalen, en dit wordt door
het verschil van taal bewerkt. Verliezen wij niet
uit het oog dat het de oplettendheid is, welke het
onderrigt kenmerkt, en dat, zoo dikwijls zij opge-
wekt wordt, het kind werkt en aanwint. Gedron-
gen om een oogenblik na te denken over woorden
of omzettingen, die hem niet gemeenzaam zijn, ver-
rijkt zich zijn geheugen door de noodige aanstrenging
van zijn verstand, en de moeite, die hij zich geeft,
werkt ten voordeele van zijne onderrigting.
Want men moet zich niet misleiden, het is niet
dan met veel moeite , dat de kinderen leeren. Zij
onthouden alleen door de gedurige herhaling derzelf-
de denkbeelden, en kennen nooit goed, wat men hun
te spoedig heeft willen leeren. Ook moet de zin-
spreuk der Akademie van St. Petersburg, Paulntim,
die zijn van iederen goeden onderwijzer, welke minder
naar den roem, dan naar eenen hechten en duurzamen
goeden uitslag streeft.
Ik beken echter dat de verkorte leerwijzen verlok-
kend zijn. Zij streelen de liefde der ouders, die
maar al te geneigd zijn, om zich over den aanleg en
de verdiensten van hetgeen hun dierbaar is te verblin-
den ; zij doen de leermeesters schitteren; zij moedi-
gen de luiheid en de ijdelheid der kinderen aan ,
die, volgens de beloften hunner meesters en de lof-
tuitingen hunner verwanten, verwachten , dat zij op
hun twaalfde jaar niet meer zullen behoeven te
werken; zij beloven der maatschappij eene menigte