Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
189
integendeel de ontwikkeling van zijn versland ver-
tragen. Ik ben zeker verre van een vijand te zijn der
vermaken van de jeugd, maar het is gemakkelijk
er te vinden, die haar behagen en haar iets lee-
ren (1).
(1) Ik heb dikwijls bejammerd kinderen van vijftien of zes-
tien jaren, aan welke men overigens trachtte onderrigt te ge-
ven , alle dagen eenige uren te zien verliezen met beuzelingen ,
die men aan een kind van vier of vijf jaren naauwelijks zou
vergeven. Hunne ouders hadden geen denkbeeld van den invloed ,
dien deze kinderachtigheid op het oordeel, het verstand, en bij
gevolg op het onderrigt van hunne kinderen had. Zij zullen
dit te laat, en toen het kwaad onherstelbaar was, hebben ontdekt.
Ik heb dikwijls bij zijne familie eenen man gezien , die eenen in
de diplomatie bekenden en geachten naam droeg. Zijn grootvader
was ambassadeur te Komtantinopel geweest, zijn vader was jong
gestorven en bekleedde toen reeds de betrekking van gezantschaps-
secretaris , zoodat zijne moeder alleen belast werd met zijne op-
voeding , welke in het ouderlijke huls plaats had. Men gaf hem
goede meesters , maar de moeder wilde hem op hare wijze
opvoeden , dat was hem buiten den tijd v«n zijne lessen alles
te laten doen wat hij wilde. Dit kind las bijna niets, en ge-
durende vijftien jaren bragt hij geregeld de helft zijner dagen
door in het maken van uitknipsels , en opbrengen van honden
en vogels. Toen hij twintig jaren had bereikt, werd hij geplaatst
in de bureaux van den Minister van buitenlandsche zaken, om
er de diplomatie te leeren, ïlij bleef er niet, omdat men weldra
bemerkte, dat hij niet anders dan kopyist zou zijn geworden,
en dit lag niet in het ontwerp zijner familie. Toen ik hem
heb gekend, was hij bijna veertig jaren, en nergens toe
geschikt. Al het onderrigt, dat hij in zijne jeugd had ont-
vangen , was verdwenen, omdat men verzuimd had bij hem het
oordeel te vormen, hetwelk leert voordeel van dit onderrigt te
trekken, en het verstand geeft, hetwelk behulpzaam is om het
te behouden. Maar men moet in waarheid bekennen , dat niemand
beter dan hij uitknipsels maken en dieren opbrengen kon.