Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
185
goede opvoeding mogelijk. De vleijerij is de gewone
klip, waarop die der rijken en aanzienlijken schip-
breuk lijdt. Daarom, zeide caraeades , dat het-
geen de kinderen der vorsten het best leerden, de
rijdkunst was, omdat het paard de eenige meester
was, die hen niet gevleid had. Dat is een uit-
muntende leermeester; maar ik ken een' nog
beteren, dat is een vijand. —
Welke boeken moet men het eerst een kind in de
handen geven ? Dit is de eerste vraag, die zich hier
voordoet. Het antwoord is noch lang, noch moei-
jelijk. Quintilianus geeft ons hetzelve: optimos et sta-
lim el Semper; de beste, aanstonds en altijd.
Zoodra hij kan lezen, moet al wat hij leest op
zijn onderwijs betrekking hebben; het moet bijdragen
om langzamerhand zijn hart te veredelen, zijne ze-
den, zijne rede, zijn oordeel, zijn verstand, ja zelfs
zijne spraak en zijne wijze van schrijven te vormen.
Ik zou derhalve die beuzelingen, in nog veel beu-
zclachtigcr stijl geschreven , welke men hem gewoon-
lijk gedurende verscheidene jaren lezen laat, van
hem verwijderen. De werken van berqüin , campe,
SCHMIDT en dergelijken zouden niet uitgezonderd wor-
den , hoewel zij alles hebben wat voor deze soort van
werken vereischt wordt, namelijk natuurlijke on-
gedwongenheid. Zij, die dezelve hebben willen na-
volgen , waren allen laf en bespottelijk, omdat zij
vergeten hebben dat er eigenschappen zijn, die niet
verkregen worden ; men moet dezelve bezitten.
Deze boeken bevatten , wel is waar, niets gevaar-
lijks voor de zeden van een kind , maar dat is geene
reden om ze hem te geven; w'ant men zal mij toch