Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
156
wijsheid cn nadenken. Men moet bovendien niet uit het
oog verliezen, dat, zoodra men, om van een kind meer
tc eischen en te verkrijgen, genoodzaakt is gewor-
den zich van middelen te bedienen, die krachtiger op
hem werken dan degene, waarvan men zich tot
nu toe heeft bediend, bij door dat begin van opvoe-
ding, waarvan ik gesproken heb, heeft moeten be-
reid worden. Wanneer ouders hun kind aan vreem-
de handen toevertrouwen, kunnen zij reeds weten,
of het geschikter is zachtheid dan gestrengheid met
hem tc gebruiken; en heeft men voor deze eerste
opvoeding goed zorg gedragen , dan kan men zich verze-
kerd houden dat het laatste middel niet alleen onnoodig,
maar zelfs schadelijk zal zijn. In dit geval heeft dc
onderwijzer niets te doen, dan den hem aangewezenen
weg te volgen. Maar gewoonlijk is het niet zoo,
cn wordt hij dan eerst geroepen, wanneer de kwade
gewoonten en de gebreken van een kind reeds zoo
groot zijn, dat het onmogelijk is dezelve te beheer-
schen. Slaagt hij niet, dan moet men zich daarover
niet verwonderen noch beklagen; maar indien , tegen
alle waarschijnlijkheid, een goede uitslag zijne pogin-
gen kroont, dan moet men het hem dank weten,
want het is niet dan met groote moeite dat het hem
gelukt, om van het hem toevertrouwde bedorvenc kind
een deugdzaam en geleerd menseh tc vormen.
Een jongeling kwam timotueus verzoeken hem tc
leeren op de fluit spelen. Hebt gij niet reeds eeni-
ge meesters gehad? vraagde hem de toonkunstenaar.—
Ja, antwoordde de jongeling. — Welnu, hernam ti-
motueus, dan zult gij > a's g'j mijn leerling wordt,
mij dubbel moeten beloonen. — En waarom dat? —