Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
114
trachten hun te doen gevoelen, waarin hetgeen men
van hen eischt hun nuttig moet zijn, maar het
zou aan te vele zwarigheden onderhevig zijn, indien
men hen over deze nuttigheid, welke zij niet
altijd kunnen beseffen, zeiven liet oordeelen. De
jeugd moet eerst zoo laat mogelijk aan zich zelve
overgelaten worden. Yele mensehen weten zich in de
zamenleving zoo slecht te gedragen, alleen omdat men hen
te vroeg aan hunne eigene leiding heeft overgelaten (1).
Een algemeen gebrek bij de kinderen, en dat bij
de mensehen maar al te veel gevonden wordt, is de
leugen. Bij de eersten ontstaat zij uit den wensch
om eene verdiende straf te ontgaan, door het kwaad,
dat zij gedaan hebben, te verbergen of te ontkennen;
bij de anderen wijzigt zij zich naar de omstan-
digheden , die haar hebben voortgebragt; en van af
den laster, die de verfoeijelijkste en strafwaardigste
is, tot aan de overdrijving (2), welke alleen eene
(1) In XEiïOPnoN vindt men, dat bij de Spartanen meer
gehoorzaamheid en onderwerping werd geeischt van jonge lie-
den Tan achuien , dan van die van minder gevorderde jaren. De
ontluikende hartstogten werden door geweldige en veelvuldige
ligchaams-bewegingen onderdrukt.
(2) Een man, die zich eenen naam heeft verworven dooi
zijnen ijver voor de godsdieust en door zijne overalpische ge-
voelens (de Graaf de maistp.e) , heeft gezegd, dat de overdrijf
ving^ de leugen is der eerlijke lieden* liet gezegde is geestig,
maar ik billijk geenszins deze toegeeflijkheid voor de zeden der
klasse , waartoe hij behoorde , evenmin als deze soort van in-
schikkelijkheid voor berispelijke gewoonten. De leugen, welken
naam men daaraan, ook geve , is eene misdaad voor de gods-
dienst , eene schande met betrekking tot de maatschappij, en
eene dwaasheid, want daaraan ééns schuldig, kan men nooit
meer geloofd worden.