Boekgegevens
Titel: Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Auteur: Franken, G.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 B 4
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204793
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Opvoeding, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedachten over de opvoeding en het onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
dc eenen, omdat zij er geen genoegzaam gewigt aan
hechten ; de anderen, omdat zij zich misleiden over de
middelen om het doel, hetwelk zij zich i oorstellen , te
bereiken ; en anderen eindelijk, maar gelukkig is hun
getal gering, die, wetende wat gedaan moet worden
om tot dit doel te geraken, de toekomst hunner
kinderen opofferen aan het genoegen van éénen dag,
of vooral aan hunne eigene zwakheid. Hetgeen hier
volgen zal, kan voor ieder hunner nuttig zijn. Ik
moet echter eerst melden, dat mijne raadgevingen
zich niet uitstrekken tot de kinderen, die uit onge-
zonde of zwakke ouders geboren, en vóór hunne ge-
boorte reeds verzwakt, bestemd zijn om tc kwijnen
en vroeg te sterven, of wien het, door veel behoed-
zaamheid en matigheid, gelukt hun zwak en treurig
leven eenige jaren te rekken.
Deze raadgevingen betreffen voornamelijk de kinde-
ren der rijken en der hooge standen van de maatschap-
pij; de anderen hebben dezelve niet noodig. De na-
tuur alleen is belast om voor hun behoud le zorgen, en
de meestcn leven cn sterven zonder doctor. Niet dat
ik deze laatsten voor onnoodig beschouw; onze harts-
togten maken dezelve volstrekt noodzakelijk. Mais
fjuclle cimte pour eiix, zegt labruyère , «i iious poxwions
mus donner le mot et devenir sages! Indien ik rijk wa-
re , dan zou ik er misschien ook eenen hebben, omdat
het gebruik cn gewoonte is ; maar ik zou zekerlijk trach-
ten van hem eenen vriend te maken (1), en ik zou geen'
(1) Quum par scientia sil, utiliorem tarnen scias medicum
esse aiiticum quam extrancum,
CEUIUS.