Boekgegevens
Titel: Leesboek voor katholieke scholen
Deel: 2
Auteur: Griendt, A. van de
Uitgave: Arnhem: Van Mastrigt en Verhoeven, ca. 1900 *
7e dr; 1e dr.: 1893
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4255
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204774
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor katholieke scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
Mijn hoepel.
Als de school uil is, haal ik mijn hoepel.
Dan gaan wij de heele slraal of de laan
op en neer. Bij de paalljes gaan wij slaan
en dan : een. Iwee. drie, wie er het eersl is.
Ik heb een lermen hoepel, die nooil
los gaal ol huigl. Hij gaal wel eens in de
^slool, maar het is een houten; hij zinkt
niet en ik haal hem er gauw weer uil.
Als wij aan hel eind van de straat zijn,
rusten wij wat en dan gaat het weer : een,
twee, drie, vooruil.
Mijn hroer Jan is er meestal het eersl,
maar laatst won ik het toch ook eens.
Hel mooist gaat het van een hoogleaf,
map- er op, oei! dat gaat niet best.
Dan worden wij gauw moe en njoelen
telkens rusten.
Waarmee speelt gij liever: met een
hoepel of met een tol?