Boekgegevens
Titel: Grootvader Jakob en zijne kleinkinderen: een vervolg op Vader Jakob en zijne kindertjes
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1853
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 678 E 85
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204743
Onderwerp: Pedagogiek: ethische vorming (pedagogiek)
Trefwoord: Deugden, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grootvader Jakob en zijne kleinkinderen: een vervolg op Vader Jakob en zijne kindertjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
IS. Bet vaaerlanatche kina.
/
Herman. Vader heeft mij weer nieuwe va-
derlandsche gezangen gekocht, met de muziek
er bij.
Hendrik. Mag ik ze wel van u afschrijven,
Herman? Ik zing zoo gaarne vaderlandsche
gezangen.
Pieter. In school zingen wij ze dikwijls;
meester is een regte vaderlander.
Albert. Ik wil ook een vaderlander wor-
den ; maar ik wil eerst goed weten, wat een
vaderlander is. Dat zal ik eens aan meester
vragen.
De meester zeide, dat men vaderlander kon
zijn als kind, als jongeling, als man en als
grijsaard.
Als kind moet men gehoorzaam zijn en vlijtig
leeren. Iemand , die niets kent, kan ook voor
anderen niet nuttig zijn. Is dit zOo niet, mijne
beste kinderen? Die dus het meeste leert, kan
ook het vaderland de meeste diensten bewijzen.
Wat wel uw vaderland, mijne jongens?
Het land, waarin gij geboren zijt en opge-
voed wordt. Gij spreekt de taal van dit land.