Boekgegevens
Titel: Grootvader Jakob en zijne kleinkinderen: een vervolg op Vader Jakob en zijne kindertjes
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1853
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 678 E 85
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204743
Onderwerp: Pedagogiek: ethische vorming (pedagogiek)
Trefwoord: Deugden, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grootvader Jakob en zijne kleinkinderen: een vervolg op Vader Jakob en zijne kindertjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
de maag gekomen was en zich met de daarin
aanwezige spijs vermengd had. Dit was echter
zoo niet. Zij begon na korten tijd te boeslen,
en die hoest hield aan. Hare ouders meenden,
dat zij verkouden was, en dienden haar daar-
tegen de gewone middelen toe. De hoest werd
intusschen erger en door het opgeven van bloed
gevolgd. Soms werd zij van dat bloedspuwen
zwaar ziek, zoodat hare ouders voor haar leven
begonnen te vreezen; doch telkens herstelde
zij toch weer.
Negen jaren duurde deze ongesteldheid voort.
Toen werd zij zwaar ziek. Zij gaf weder
bloed op, en men meende, dat zij sterven zoude.
Zij was zeer benaauwd. Hare ouders en hare
vriendinnen wilden haar zoo gaarne helpen,
maar zij konden niet. Allen waren diep be-
droefd , dat zij haar zoo bitter zagen lijden.
Op eens, na zwaren hoest en groote be-
naauwdheid, werpt zij iels uit, en ziet! het
was de korenaar. Die had haar al dat lijden
veroorzaakt. Zij genas nu weder langzaam.
In het jaar 1832 was zij weder geheel hersteld.,
Het is te Potsdam in het koningrijk Pruissen
voorgevallen.