Boekgegevens
Titel: Leesboek voor katholieke scholen
Deel: 7
Auteur: Griendt, A. van de
Uitgave: Arnhem: Van Mastrigt en Verhoeven, 1898 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1121 : 1e dr. (dl VII)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204741
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor katholieke scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
72
het uiteinde een fijne opening, dan spuit het
water met een dunnen straal omhoog.
In de groote steden, waar de grachten of de
rivier geen goed drinkwater opleveren, heeft men
in het groot zoo iets gemaakt als baas Jansen
in zijn tuin in het klein had.
Men heeft ergens een grooten bak op een
hoogte geplaatst met een buis in den bodem
bevestigd. Deze buis leidt men naar beneden
en onder den grond door in een of ander ge-
bouw. Hier maakt men ook een kraantje aan
en als men dit openzet, springt het water uit
de buis. Men heeft echter de buis aan het einde
omgebogen of een gebogen koperen buis er aan
gemaakt, zoodat het water niet naar boven
maar naar beneden spuit in een glas of emmer
of wat men er onder houdt. Men kan die buis
in het gebouw naar boven leiden en zoolang
men niet hooger komt dan de bak, waarin het
water is, kan de kraan blijven loopen. Daarom
bouwt men in groote steden, waar zeer hooge
gebouwen zijn een toren, waarin men den bak
met water boven in zet. Zulk een toren heet
een watertoren. Wil men alle gebouwen in een
stad van waterleiding voorzien, dan heeft men
een grooten bak noodig en deze moet dan voort-
durend volgepompt worden. Dit doet men met
een stoompomp na het water eerst gezuiverd te
hebben. Bij sommige steden staat de watertoren