Boekgegevens
Titel: Leesboek voor katholieke scholen
Deel: 7
Auteur: Griendt, A. van de
Uitgave: Arnhem: Van Mastrigt en Verhoeven, 1898 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1121 : 1e dr. (dl VII)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204741
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor katholieke scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
heerlijken smaak heeft. Wanneer men van de
melk boter wil maken, moet men ze karnen.
Dit geschiedt in een karnton, waarin een ronde
plank met gaatjes op en neer bewogen wordt,
die daardoor de melk in beweging brengt. Nu
komen de vetbolletjes in vlokken aan de opper-
vlakte drijven. Dat is de boter, die er voorzichtig
afgeschept wordt. Ze bevat echter nog veel
waterdeelen, die door kneden er uit verdreven
worden. Wat in de karnton overblijft, heet
karnemelk. Hiervan kan men nog kaas maken,
maar ze wordt ook wel verkocht om rauw of
gekookt gebruikt te worden.
Zoolang de koeien op stal zijn en met hooi
worden gevoederd is de boter licht van kleur.
Deze heet stalboter, maar in April of Mei, als
de koeien pas in de weide zyn, dan komt de
eerste grasboter, die een goudgele kleur heeft.
Dan brengt de boterboer schaapjes, van boter
vervaardigd. Men doet in de boter ook wel
kleurstof om ze een fraaie kleur te geven.
Hoe meer melk de koeien geven en hoe beter
melk, zooveel te meer boter kan de boer maken.
Van honderd liter melk krijgt men drie a vijf
kilogram boter. Een koe, die goed melk geeft,
kan den boer jaarlijks 50 a 60 kilogram boter
verschaffen.
De meest bekende boter is in Zuid-Holland
de Delftsche; ook de Friesche boter is beroemd.
In de stad Sneek is een botermarkt, waar op