Boekgegevens
Titel: Leesboek voor katholieke scholen
Deel: 7
Auteur: Griendt, A. van de
Uitgave: Arnhem: Van Mastrigt en Verhoeven, 1898 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1121 : 1e dr. (dl VII)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204741
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor katholieke scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
tong en tanden het gras afweiden of rustig Hg-
gen te herkauwen. Ook schapen en paarden
loopen wel eens in zulke weiden. De laatsten
echter alleen, als ze niet voor kar of rijtuig be-
hoeven te trekken. De koeien hebben het vrij
wat gemakkelijker dan de paarden. Ze doen
niets dan eten. Toch kunt ge best begrijpen,
dat de boer die koeien niet voor zijn pleizier
houdt. Tweemaal daags gaan de knechts of
meiden naar het land om de koeien te melken :
's morgens vroeg en in den namiddag.
In den winter is het vee op stal en krijgt dan
hooi, lijnkoeken of ander veevoeder. Om hooi
te hebben, moet de boer een deel van zijn weiden
den geheelen zomer of een deel van den zomer
tot hooiland maken. Dat doet hy afwisselend,
nu eens weiland en dan weer hooiland. Als de
koeien in de wei loopen, wordt het land van
zelf bemest en dan groeit op een ander jaar
het gras weer overvloedig genoeg om er hooi
van te krijgen.
In de nabijheid der groote steden wordt de
melk verkocht om door de menschen gebruikt
te worden, maar er zijn heel veel boeren, die
de meeste melk gebruiken om er boter en kaas
van te maken.
De melk bevat vetdeelen in den vorm van
kleine bolletjes. Laat men de melk eenigen tijd
staan, dan komen die er bovenop drijven. Dit
is de room, . die een fraaie gele kleur en een