Boekgegevens
Titel: Leesboek voor katholieke scholen
Deel: 7
Auteur: Griendt, A. van de
Uitgave: Arnhem: Van Mastrigt en Verhoeven, 1898 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1121 : 1e dr. (dl VII)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204741
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor katholieke scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
ning naar boven is gekeerd. Giet men hier
echter water in, dan loopt het tuitje wel spoedig
over, maar in het fleschje komt maar weinig
water. Houdt men het fonteintje echter wat achter-
over, zoodat het tuitje omhoog gaat, dan gelukt
het beter; dan wordt het fleschje al voller en
voller, maar dan moet men het telkens meer
achterover houden. Doet men dit niet, dan
loopt het tuitje vol en houdt men het fleschje
dan een klein beetje verder schuin, dan komen
door het water heen blaasjes, die men niet
meer ziet, als ze boven het water uitkomen.
Deze blaasjes heeten luchtbellen; dat is de lucht,
die in het fleschje was en het water tegenhield.
Men kan die lucht niet zien, voor ze in blaasjes
door het wal er heengaat.
Evenals in het vogelfonteintje kan ook de
lucht in een gewone flesch het water beletten
er in te komen. Wanneer men water of een
andere vloeistof in een flesch wil doen, plaatst
men een trechter in den hals der flesch en giet
de vloeistof in den trechter. Als de trechter
echter vast tegen den wand der flesch sluit,
zóó dat er geen lucht door kan, dan sluit hij
luchtdicht in den hals der flesch. Giet men
dan water in den trechter, dan loopt de trechter
vol, maar het water loopt niet naar beneden
voor men den trechter even oplicht. Dan kan
de lucht tusschen den trechter en het glas door
ontsnappen en dan loopt de vloeistof in de