Boekgegevens
Titel: Leesboek voor katholieke scholen
Deel: 7
Auteur: Griendt, A. van de
Uitgave: Arnhem: Van Mastrigt en Verhoeven, 1898 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1121 : 1e dr. (dl VII)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204741
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor katholieke scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
Met de meeste zijderupsen loopt het echter
zoo niet af.
De kweeker van den zijdeworm verzorgt dezen
zoolang tot hij zich inspint, doch als dit gebeurd
is, wacht hij het openbreken der cocons niet af
maar legt de meeste in heet water, waardoor
de verpopte rups sterft. Nu komt er natuurlijk
geen vlinder meer uit. De losgeweekte cocons
worden voorzichtig' afgehaspeld en de draden
drie aan drie of meer bij elkander vereenigd
tot een stevigen draad. Soms is de draad, die
van één cocon wordt afgewonden, meer dan
1500 M. lang. Gesponnen behoeven de draden niet
meer te worden — dat heeft de rups gedaan —
men kan ze, na ze gebleekt of geverfd te hebben,
dadelijk weven en verkrijgt zoo de kostbare
zijde, waarvan kleederen worden vervaardigd.
De kweeker laat, zooals ge wel begrijpen zult,
eenige der poppen in leven om vlinders te heb-
ben, die door het leggen van eitjes hem nieuwe
zijderupsen kunnen doen verkrijgen.
Voor het uitkomen der eitjes is een zekere
warmte noodig, waarom men alleen in warme
landen deze kweekerij in de open lucht kan
hebben. Verder heeft men als voedsel voor de
rupsen bladeren van den moerbezieboom noodig.
Andere eet hij niet of kan er althans niet bij
blijven leven. Alleen tijdelijk kan hij bladeren
van braambeziestruiken en enkele andere planten
als voedsel hebben.