Boekgegevens
Titel: Leesboek voor katholieke scholen
Deel: 7
Auteur: Griendt, A. van de
Uitgave: Arnhem: Van Mastrigt en Verhoeven, 1898 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1121 : 1e dr. (dl VII)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204741
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor katholieke scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
in de kolk loopen; het water ryst hier tot het
gelijk is met het lange kanaalvak. Maar het
schip is ook gerezen en vaart, als de sluisdeuren
nu opengaan, dat kanaalvak binnen. Nu is het
op een hoogeren trap gekomen en wanneer het
aan het einde van dit vak gekomen is, moet
het weer door een dubbel paar sluisdeuren om
in het volgende vak te komen. Zoo komt het
schip bij elke sluis een paar meter hooger te
liggen en is aan het eind van het kanaal 40
Meter hooger gekomen.
Het afdalen geschiedt op dezelfde wijze.
Ge begrypt, dat er telkens bij ieder schutten
wat water uit het eene vak in het andere loopt,
maar toch blijft het water in ieder vak vrij wel op
dezelfde hoogte. Alleen in het hoogste vak loopt
wel water uit, maar natuurlijk geen water van een
hooger vak in, omdat er geen hooger vak meer
is. Dit hoogste vak zou dan ook langzamerhand
leeg raken, als men niet een bassin had gemaakt,
d. i. een groote, diepe vijver, waaruit men van
tijd tot tijd water in het bovenste kanaalvak
kan laten loopen. Dit bassin wordt door de
Maas van water voorzien. Zoo blijft het water
in het kanaal voortdurend op een voldoende
hoogte en kunnen de schepen en stoombooten
geregeld op en neer varen.