Boekgegevens
Titel: Leesboek voor katholieke scholen
Deel: 7
Auteur: Griendt, A. van de
Uitgave: Arnhem: Van Mastrigt en Verhoeven, 1898 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1121 : 1e dr. (dl VII)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204741
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor katholieke scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
een heuvel staat, ligt dikwijls vrij hoog. Men
vergelijkt de hoogte van het land en van zulke
heuvels met de oppervlakte der zee. Als de
grond nu bijv. 25 M. boven de oppervlakte der
zee ligt en een heuvel 110 M., hoe hoog moet
men dan klimmen om op den top te komen ?
Die de heide met hare heuvels nooit gezien
heeft, denkt zich zoo'n heuvel als een hoop
zand, waar men even omheen loopt. Maar dit
is mis. Die heuvels hebben soms een grooten
omvang, zoodat men een grooten omweg zou
moeten maken, als men er niet over wilde.
Wanneer men dan ook een weg aanlegt over
de heide, dan moet die dikwijls over zulke
heuvels heen loopen en is dan op de eene plaats
hoog, op de andere laag. Zulk een golvende
weg is voor een paard of lastdier niet gemak-
kelijk ; voor een voetganger natuurlijk ook niet.
Wel gaan die wegen niet steil tegen de heu-
vels op, maar het is toch zeer vermoeiend voor
mensch en dier, om zulk een langzaam klim-
menden weg te begaan.
Op sommige heiden vindt men vaak heele
bosschen, vooral van sparre- en denneboomen.
Ook eikeboomen worden er aangeplant. Wel
ontstaan die bosschen soms uit zich zelf door
zaden, die de wind meevoert, maar meestal
worden zij aangeplant. Men zet dan vrij kort
bij elkander jonge sparren, dennen of eiken,
die niet hooger zijn dan eenige decimeters.