Boekgegevens
Titel: First English reading book: Engelsch leesboek voor instituten, gymnasiën en hoogere burgerscholen: met Nederlandsche woordenlijst
Auteur: Herrig, Ludwig
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1869 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 513 H 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204683
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Leesvaardigheid, Engels, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   First English reading book: Engelsch leesboek voor instituten, gymnasiën en hoogere burgerscholen: met Nederlandsche woordenlijst
Vorige scan Volgende scanScanned page
•74
to be after, uitzijn op. frolic, een vroolijke streek, grap. downright, mislagen, else, anders.
sheriff, sherif. to preside at the head of, voorzitten aan. part, rol. to reekon, rekenen.
miser, gierigaard, vrek. to fling, werpen, palfry, parade-paard, io astonish, verbazen, bag,
zak. joke, scherts, along, voort, to infest, onveilig maken, to fall in mi\\aantreffen.
to answer, antwoorden, to inquire, vragen, to blow, blazen, hence, van hier. quoth, zeide.
Bladz. 18.
Luck, geluk, luckless, ongelukkig, to spread, uitspreiden, venison, wildbraad, he
would rue the day, het zou hem berouwen, dame, vrouw, turn, streek, abbey, abdij, to
mortgage, verpanden, moreover, bovendien, squire, schildknaap, jonker, to forfeit, ver-
beuren. to pretend, voorgeven, to spurn, met verachting behandelen, to snatch, pakken,
grijpen, deed, volmacht, acte. present, geschenk, toll, tol, belasting, to levy, heffen.
to forgive, vergeven, kwijtschelden» trusty, getrouw, to trust;, vertrouwen, to discharge,
afdoen, betalen* to appoint, bepalen, vaststellen, to roam, rondzwerven, suit, pak, klee-
ding. plain, vlakte. , blijde, dishevelled, Well-a-day! o zee^/acA/to fetch,
halen, gladsome, vroolijk. to pull, trekken, to court, het hof maken, vrijen, to VftA, huwen,
fickle, onbestendig, to interrupt, in de rede vallen, cripple, kretipele. lass, meitje, to insist
upon, ér op staan, er op aandringen, to scold, knorren op, met verwijten overladen, to
rave, razen, meek, mak. bridegroom, bruidegom, to perform, uitvoeren, voltrekken.
ceremony, plechtigheid, ado, omslag, to dress, kleeden. harper, harpspeler, to flow,
stroomen, golven, distance, afstand, to hobble, hinken, strompelen, to make one's ap-
pearance, verschijnen, to hand in, binnenleiden, to blush, blozen, to strew, strooien.
match, huwelijk, partij, aloud, luide, to forbid, verbieden, churchyard, kerkplein, fore-
most, voorste, to present, aanbieden, cloak, mantel, to prefer, liever hebben, husband,
echtgenoot, man. gouty, jichtig, met de jicht, to cast, werpen, to cast down, nederslaan,
prithee = I pray thee, to require, verlangen, eischen. io , vaststellen, regelen, gown,
kleed, toga, lest, opdat niet. could not help, konden niet nalaten, bans, geboden, huwelijks-
afkondigingen, indignantly, verontwaardigd, staunch, standvastig, trouw, prowess, dap-
perheid. friar, monnik.
Bladz. 19.
To expel, verdrijven, conduct, gedrag, leefwijze, amidst, in het midden van. to wield,
handteeren. quarter-staff, knuppel, anxious, verlangend, to ramble, rondzwerven, burly,
opgeblazen, dik. chest, borst, blacksmith, grof smid, smid. brawny, gespierd, to tuck up,
opschorten, to breed, veroorzaïcen, kosten, pain, pijn, weight, gewicht, fair, eerlijk.
whether, of. longbow, {gewone) boog, cross-bow, kruisboog, fo point to, wijzen op.
hawk, valk, to add, er bijvoegen, ou the wing, in de vlucht, to accept, aannemen.
challenge, uitdaging, shaft, lans, pijl. to pick up, oprapen, to pinion, vaststeken, to
transfix, doorboren, to own one's self, zich bekennen, to outdo, overtreffen, lawless,
tegen de wet. prank, streek, caparison, schabrak, dekkleed, caparisoned, met dekkleeden.
bridle, teugel, cufl", vuistslag, to tingle, tuiten, to take, nemen, beuren, coin, munt.
message, boodschap, to desist, er uitscheiden, to confound, vernielen, in het verderf storten.
foe, vijand, to guess, vermoeden, to bend, buigen, liege lord, leenheer, to assume,
aannemen, confinement, beperking, to tear away, losrukken, to sound, blazen op. score,
twintig, fourscore, tachtig, to enrage, woedend worden, to reduce, tot onderwerping
brengen, desperate, wanhopig, to remove, toegvoeren. to bleed to death, doodbloeden, to
suffer, laten, to approach, naderen, to bury, begraven, inscription, opschrift, under-
neath voor under, onder.
a*. Irish, lersch, wit, vernuft, to take a ride, een wandelrid doen, came van to
come, komen, field-gate, slagboom, slaghek. beggar, bedelaar, who happened to be, die
toevallig was. to reward, beloonen. io nrmdi, onthouden, io O'^Q, schuldig zijn. fellow,
Bladz. 20.
To exclaim, uitroepen, to pay, betalen.
35. Autobiography, eigen-levensbeschrijving, some, eenige. since, geleden, who stood