Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
97
de eerste drie bewegingen van den vasten steek, daarna 4 ketting-
steken en vervolgens de 4® beweging van den vasten steek.
Dichte moesjes ontstaan, doordien men in een steek van het
voorgaande toer eenige, b.v. 5 stokjes, werkt en hiermede een
steek van het toer, waaraan men bezig is, overslaat.
Deze moezen moeten op een geribden grond van vaste steken
in verschillende vormen naast en boven elkander gevoegd worden,
evenals het reliefstokje.
Dit is een enkelvoudig of gewoon stokje, of ook wel een
meervoudig stokje, dat men bij het haken in de voorste lis van
eene voorgaande rij steken vat. Bij het enkelvoudige stokje
worden 2 rijen overgeslagen; men kan dus eerst in de 3« rij
met eene figuur van deze stokjes beginnen. Werkt men moesjes
en reliefstokjes door elkander, dan krijgt het werk een nog fraaier
aanzien, dan wanneer men elke soort afzonderlijk werkt.
Deze dichte patronen worden van dik garen gewerkt en dienen
voor bed- en wiegdekens, kousenbanden en bretels; en van iets
fijner garen voor nachtzakken, bavettes, enz.
Opene of holle patronen worden, zooals wij boven zeiden,
verkregen door kettingsteken en stokjes of vaste steken met
elkander te verbinden. Hoe meer kettingsteken men werkt, hoe
grooter de openingen worden; de stokjes en de vaste steken
vormen het patroon. Met iederen kettingsteek wordt een steek
der vorige rij overgeslagen.
Sommige open patronen verkrijgen, doordat men stokjes op
stokjes en kettingsteken boven kettingsteken werkt, een geruit
aanzien. De holle ruitjes, die uit 2 kettingsteken en één stokje
bestaan, vormen den fond van het werk, terwijl men door de
dichte ruitjes, die uit drie stokjes bestaan , het patroon verkrijgt.
Komt echter een dicht ruitje alleen te staan , dan telt het 4 stokjes.
Wenscht men een dusdanig werk te vervaardigen, dan moet
men vooraf berekenen hoeveel ruitjes lengte het werk zal hebben ,
waarna men 3 maal zooveel kettingsteken moet opslaan als er
ruitjes moeten worden gewerkt; tevens houde men in 't oog,
dat er voor het begin- en eindstokje twee steken meer moeten
worden genomen. Fig. 37 bl. 98, geeft een dusdanig patroon.
Men kan de ruitjes ook tweemaal zoo groot werken, door,
v. D. BKRO—STOMP, Frtiuw. katidiu., Se druk. 7