Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
96
voren genoemd, omslaan, doorhalen door den steek waarin
ingestoken is, omslaan, doorhalen door de beide lissen,
die nog op de naald zijn.
Het halve stokje eischt zes bewegingen: omslaan, in-
steken, omslaan, doorhalen door den steek der vorige
rij, omslaan, doorhalen door de drie nog op de naald
zijnde lissen.
Een enkelvoudig stokje vordert acht bewegingen: om-
slaan, insteken, omslaan, doorhalen door den inge-
stoken steek, omslaan, doorhalen door twee lissen, om-
slaan, nogmaals doorhalen door twee lissen.
Een dubbel stokje — d.i. een stokje met tweemaal om-
slaan — eischt 11 bewegingen: omslaan, omslaan, in-
steken, omslaan, doorhalen door den ingestoken steek,
omslaan, doorhalen door twee lissen, omslaan, door-
halen door twee lissen, omslaan, nogmaals doorhalen
door twee lissen. Voor elk omslag, waardoor men het stokje
langer maakt, komen drie bewegingen meer.
Bij den lossen en den vasten steek wordt dus, vóór het inste-
ken , de draad niet eerst omgeslagen; bij het halve en het enkel-
voudige stokje geschiedt dit vóór het insteken éénmaal. Voor de
hoogte van enkelvoudige stokjes gelden drie kettingsteken; voor
lange of meervoudige stokjes, die ontstaan door den draad vóór
het insteken twee, drie of meermalen om te slaan, gelden ook
zoovele kettingsteken meer als de draad meerdere malen is
omgeslagen.
Het is noodig, dat men wete hoeveel kettingsteken de lengte
van een stokje bedraagt, wijl men soms, bij het begin der
toeren, de stokjes door kettingsteken moet vervangen.
Patronen ontstaan door het regelmatig verbinden van meer-
dere soorten van steken; door vaste steken en stokjes ontstaan
dichte patronen; door kettingsteken en vaste steken of stokjes
ontstaan open patronen.
Bij dichte patronen geeft vooral het met smaak aanbrengen
van kettingsteek-moesjes en van het reliefstokje het werk een
fraai aanzien; het verkrijgt daardoor veel overeenkomst met piqué.
Om het werk met kettingsteek-moesjes te versieren, make men