Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
b. V. van de eene eenige middentoeren, van een andere de
tusschentoeren en van een derde de kanttoeren bij elkaar te
voegen, terwijl men, naar eigen smaak, hier iets aflaat en daar
iets bijvoegt, — wat met haken zoo gemakkelijk gebeuren kan ,—
dan zal de uitkomst de moeite van het werk ruimschoots beloonen.
Dat dit ook op andere soorten van het werk kan worden toege-
past, zal iedere lezeres gewis begrijpen.
Het haakwerk bestaat, even als het breiwerk, uit mazen; bij
het haken echter zijn veel meer soorten te onderscheiden.
Men heeft: den kettingsteek, den lossen steek — ook
wel halven vasten steek genoemd —, den vasten steek en
het stokje; 't laatste in verschillende afmetingen. Vandaar
ook de onderscheiding in: halve stokjes, enkelvoudige
of gewone stokjes, 2, 3, 4, 5 en meervoudige stok-
jes, relief- en kruisstokjes, enz. Bij het haken heeft men
echter, met uitzondering van de Guimpenaald, die slechts zelden
wordt gebruikt, maar één werktuig noodig: de haaknaald.
Deze is een ongeveer 12 cM. lang staafje, dat naar het eene
einde langzaam aan fijner wordt en van een haakje is voorzien.
Men verdeelt de haaknaald in: de greep en de naald. Bij
fijne haaknaalden is de naald van staal en de greep van been,
hoorn of hout. Voor Tunisch haakwerk gebruikt men zeer lange
houten of beenen naalden, die overal even dik en boven van
een knopje voorzien zijn.
De haaknaald moet zeer glad en goed gevormd zijn; hare dikte
regelt zich naar de dikte van het garen en de soort van het werk.
Dichte patronen worden het fraaist gewerkt met fijne naalden.
De haaknaald moet, even als de schrijfpen, tusschen duimen
wijsvinger der rechterhand gevat worden, zoodat de greep op de
span der hand en de naald op het eerste lid van den midden-
vinger rust; het werk moet naar de werkster en eenigszins be-
nedenwaarts gericht zijn.
De stof, welke men gebruikt, is een draad wol, zijde of katoen;
de meeste voorwerpen worden van katoenengaren vervaardigd,
waartoe het zoogenaamde haakgaren, dat in kluwens en strengen
is gesorteerd, de voorkeur verdient. Breikatoen, dat goedkooper