Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
89
dubbele stoflaag neemt, en onder naar den buitenkant afrondt.
Den boord, die opgezet moet worden, knipt men in twee gelijke
deelen, welke elk de helft der benoodigde wijdte lang zijr
deelen moeten voor 8 cM. en achter, waar ze boveij
moeten zijn, 5 cM. breedte hebben. Elk deel woim twfèii
geknipt; men legt achter een paar vouwen in (fp^ paSal&^J
en bevestigt dan deze deelen op den pantalon drf«iK~stiÖekSj
daarbij in 't oog houdende, dat de bovenkant vap^^jep
tusschen de beide stoflagen van den boord wordi' ^eyat^. ^o "
worden de beide stofdeelen van den boord tegen e|k§nde£^eina
en aan de rechte zijde doorgestikt. Achter, bij fiefespltt, n^
men in elke helft van den boord een vetergat, w^rdoofmg^'i
eind lint trekt. Voor maakt men aan den linl^k^
boord, 2 knoopsgaten en 12 cM. beneden den boord éöKËjj)<(psgat.
Aan den rechterkant zet men de knoopen; onder naait men aan
elke punt van het split een band van + 20 cM. lengte.
Rokken.
Voor een damesrok van normale lengte is men 3 M. stof noo-
dig van 85 cM. breedte. Voor de achterbaan neemt men 106 cM.,
voor de voorbaan 97 cM. Nu rest nog eene lap van 97 cM.,
waarvan men 2 zijbanen knipt.
Om deze zijbanen te knippen verdeelt men de breedte der
stof in 3 gelijke deelen, legt dan de lap zóo, dat men 1 snijkant
boven en 1 snijkant onder heeft en knipt de stof zoodanig
door, dat men ' 3 der breedte boven en ',3 der breedte beneden
aan dezelfde zijde heeft. De vóorbaan wordt boven in het midden,
6 cM. diep, ronduitgeknipt en boven, aan eiken kant, 6 cM.
bijgeschuind. De daardoor ontstane lijn moet op de helft van de
lengte in den zelfkant uitloopen. De rechterkant der zijbaan
wordt aan de vóorbaan met stiksteken bevestigd en de schuine
kant aan de achterbaan. Men kan hier eenen Engelscben naad
uitvoeren, of ook enkel een' stiknaad; in 't laatste geval moet
de schuine kant der zijbaan worden omgeprefijld. Onder wordt
dè rok gezoomd. Boven knipt men in het midden der achter-
baan een split, dat van de lengte van die baan heeft. Dit