Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
werkdraad weder in en vier draden vóór den werkdraad weder
uit; daarna steekt men weder, twee draden terug, in en neemt
zes draden op de naald, zoodat men 4 draden voor den werk-
draad weder uitkomt. De steken overspannen zoo twee stofdra-
den en liggen even ver van elkaar verwijderd. Zie figuur 14.
De achtersteek verbindt veel vaster dan de voorsteek en de
Fig. 14. draad kan, door het terugsteken,
niet weder worden uitgehaald,
wat bij den voorsteek wel mo-
gelijk is.
De stiksteek wordt op de-
zelfde wijze gewerkt als de
achtersteek, met dit onderscheid,
dat tusschen de steken nu geene ruimte blijft, maar dat ze aan
elkander liggen, zoodat het uitgangspunt van den vorigen het
ingangspunt van den volgenden steek vormt.
Om de thans vermelde steken te maken moet de naald twee-
maal door twee stofdeelen worden gevoerd; bij het insteken
door boven- en onderlaag, bij het uitsteken door onder- en
bovenlaag; zoodat men ze eigenlijk in eenen neer- en een' opsteek
kan verdeelen. Bij zeer zware stoffen, als men over eene naad
moet naaien, of wel wanneer men meer dan twee stofiagen
tegelijk wil samenhechten, kan men deze steken, als neer- en
o/*steek,, afzonderlijk werken.
Als men óf den opsteek öf den neersteek alleen werkt, om-
woelt de werkdraad de stofranden, waardoor de overhandsche
steek ontstaat
De overhandsche steek dient om twee gelijke deelen langs den
zelfkant of langs twee gezoomde snijkanten met elkander te
verbinden; waartoe men de naald van achteren naar voren, zoo
na mogelijk aan den kant, door de stof steekt; wat men met
tusschenruimten van 1 of 2 draden herhaalt. Na het voltooien
spreidt men de stof uit en strijkt de naad met den vinger-
hoed glad.
In- en uitgangspunt van dezen steek liggen op ééne lijn;
echter op verschillende oppervlakten der stof; wijl de draad hier
spoedig en vast moet worden aangehaald moet men een weinig