Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
zijn dan de inslagdraden; welk verschil bij de goedkoopste
soorten het meest in 't oog valt. Bij die soorten is de stof ook
minder gesloten; bij alle soorten zijn de inslagdraden tamelijk
los en vlokkig, waardoor molton een eenigszins wolachtig aan-
zien heeft.
Men verwerkt ook piqué, piqué molton cn zooveel andere
stoffen, dat ons bestek niet toelaat meerdere, al is 't ook met
enkele woorden, aan te duiden, 't Was enkel ons doel de stof-
fen, die 't meest gebruikt worden, te noemen.
Tot het wollennaaien of costumes maken behoort het vervaar-
digen van: morgenjassen, huis- en wandelrobes, mantels en
jackets, paletots en kindercostumes.
Bij het linnennaaien moet men eene tamelijk lange naald
hebben, die een weinig dikker is dan de stofdraden; terwijl het
garen, waarmede men naait, iets fijner dient te zijn dan de
stofdraad. Slechts wanneer men iets moet inrimpelen moet de
draad dikker zijn dan de stofdraad.
Het naaien heeft ten doel om de verschillende deelen, waar-
uit een kleedingstuk of een voorwerp voor huiselijk gebruik
bestaat, door steken samen te hechten, zoodat twee stofdeelen
duurzaam aan elkander worden verbonden.
Een steek is eene verbinding van twee punten der stof door
middel van naald en draad. Men onderscheidt hierbij een in- en
een uitgangspunt-, deze beide punten liggen óf in rechte of in
schuine richting. De wijze, waarop de naald door de stof wordt
gevoerd, bepaalt die richting. Wordt de naald horizontaal
tusschen twee gelijkloopende draden der stof doorgeschoven, dan
liggen beide punten als op eene rechte lijn; (vóór-, achter- en
sfiksteek)- geeft men de naald eene schuine richting, waarbij
zij aan den achterkant der stof over eenige horizontaal boven
elkander liggende draden gaat, dan liggen in- en uitgangs])unt
schuin boven elkander, zoodat er door de gezamenlijke steken
twee lijnen ontstaan, waarbij de ingangspunten op de on-
derste en de uitgangspunten op de bovenste lijn liggen
[z oomsteek).
Alle steken van gelijken aard moeten even groot worden,
in dezelfde richting liggen en evenver van elkaar verwijderd