Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
weg; men moet echter aan den voorkant van het linkerdeel bij
deze pantalons een overslag met knoopsgaten werken. Men breit
van deze soort de beide beenen zoo lang, tot ze aan den enkel
reiken en werkt ze geheel, evenals heerenborstrokken in een
streeppatroon; terwijl men ook den benedenboord breit, evenals
den mouwboord van bedoelde borstrokken.
Voor een heerenpantalon slaat men 20 mazen minder op,
dan men voor eene sok behoeft.
Ten slotte geven wij hier de beschrijving van een pantalon
voor een meisje van 12 tot 15 jaar, gebreid van Sdraads wol.
Men slaat 88 mazen op, die men op 3 naalden verdeelt en
werkt den boord 30 toeren hoog. Is deze gereed dan zet men
aan het begin van den toer het naadje en werkt dan weder 30
toer of 15 naadjes recht; in het 16e naadje begint men te meer-
deren 1 maas voor en 1 maas over het naadje en herhaalt dit
nog 7 maal telkens om het 3e naadje, zoodat men in het geheel
8 meerderingen heeft. Nu zal men dus 104 mazen hebben. Men
werkt nu nog 6 toer in de rondte, daarna 6 toer heen en terug
en sla in de rechte toeren, bij 't begin en 't einde, 4 nieuwe
mazen op; dan is er één been gereed en men heeft 128 mazen
op de naalden. Heeft men ook het tweede been op gelijke wijze
gewerkt, dan verbindt men beide, door de laatste maas van het
Ie deel met de Ie maas van het tweede deel samen te breien,
om daarna met de Ie maas van het eerste en de laatste maas
van het tweede evenzoo te doen. Vervolgens werkt men weder in
rondgaande toeren, waarbij men daar, waar de beide deelen zijn
verbonden, een naadje zet. Om tot den bovenboord te komen,
moet men nu 70 toer of 35 naadjes breien. Na de eerste 5 naadjes
begint men, aan weerszijden van de middennaden, om het 3e
naadje te minderen en gaat hiermede tot aan den boord voort.
Na het 8e naadje werkt men met de helft der mazen het voor-
stuk ; en wel zoo, dat men aan weerszijden van het middennaadje
van 't geheele getal mazen heeft. De kantmazen van eiken
toer haalt men af; de 4 daaraanvolgende werkt men 2 recht 2
averecht en verzet dit na elke 2 toeren. Heeft men de 70 toer
gebreid, dan werkt men eenen boord van 20 toer; waarna men
afkant. Het achterdeel wordt nu hieraan volkomen gelijk gewerkt;