Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
gaat men voort, tot dat de geer van de opgeslagen mazen
breed is; in bet '/»> dat buiten de geer blijft, is het naadje
juist in het midden. Nu werkt men weder alle mazen tot een'
toer en zet de kous verder voort.
Van halve kousen of beeren sokken breit men eerst het boordje
zooveel toeren, als het deel van het aantal opgeslagen mazen
bedraagt, daarna nog even zooveel toeren recht. De verdeeling
van den voet is evenals bij andere kousen; ze wordt nu echter
in twee gedeelten gewerkt; n.1. eerst het voetblad tot den teen in
heen- en teruggaande toeren, waarbij men voor het naadje de
tweede en de voorlaatste maas neemt; daarna werkt men den
hiel en neemt na de voltooiing van den kleinen hiel de kant-
mazen op. Men werkt nu ook dit gedeelte in heen- en terug-
gaande toeren, waarbij men echter aan den rechten kant van het
werk de laatste maas aan de naastbijzijnde kantmaas van het
voetblad door overhaling moet verbinden, terwijl men aan de
keerzijde de laatste maas met eene naastbijzijnde kantmaas van
het voetblad averecht samenbreit.
De teen wordt weder in rondgaande toeren uitgevoerd.
Bij het eerste kinderkousje wordt alleen het voetje naar de
regelen voor de kous gewerkt; het been wijkt daarvan echter
geheel af. Wijl dit boven in evenredigheid tot het kleine voetje
zeer wijd moet wezen, kan er geen sprake zijn van eene verdeeling
in vieren. Men begint dadelijk na het voltooien van het boordje
om het 3e naadje te minderen; ongeveer de helft der opgeslagen
mazen moet wegvallen. Na de laatste mindering werkt men nog
3 naadjes en zet dan den hiel. Heeft men, om een voorbeeld
te geven, 90 mazen opgeslagen, dan mindert men 44 weg, dat
is dus 22 minderingen om het 3e naadje; werkt men dan, na de
laatste mindering, nog 3 naadjes, dan is het beentje juist 69
naadjes lang; in welk geval men het op 70 brengt.
De fijne witte wol waarvan men deze kousjes werkt, moet men
eerst krimpen; dit doe men voor het opwinden. Men bindt
daartoe eenige malen een draad op dezelfde wijze om het garen
als dat met elke streng reeds eenmaal is gedaan met den be-
gindraad, legt dan de wol een paar minuten in warm water en
hangt haar daarna te drogen. Voor deze kousen moet men, in
V. I). BERG—STOMP, Vrouw. haiidw., 3e druk. 3