Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
Fisr. 6.
samen, waarna men nog slechts éene naald van 6 mazen in het
werk heeft. Deze 6 mazen worden nu afgekant.
Bij een derden teen verdeelt men de mazen gelijkelijk op 4
naalden en werkt dan met eene vijfde naald. Men mindert om
den anderen toer en wel door telkens de eerste twee mazen eener
naald samen te breien. Zie fig. 5. "Vindt men echter, dat deze
teen iets te lang is, dan kan men ook, wanneer de helft der
mazen is weggeminderd , het tusschentoer weglaten.
De teen, fig. 6, is
gewerkt in den beken-
den stervorm. Men
breit hier altoos de min-
dering, door 2 mazen
averechts samen te
breien.
De teen moet het 4e
deel van den voet in-
nemen. Bij eene goed-
gewerkte kous is het
been ^/g en de voet 1/3
van de geheele lengte
der kous.
Bij kinderkousen, die tot over de knie zullen reiken, moet de
meerdere lengte van het been in het Ie rechte deel worden aan-
gebracht.
Men werkt eerst het gewone vierkant, telt de naadjes, om naar
dat getal het minderingdeel te kunnen regelen en werkt daarna,
tot de vereischte lengte is verkregen. Wil men in dergelijke, lange
kousen eene kniegeer werken, dat breit men eerst, na het vol-
tooien van den boord 12 of 16 toeren, met inachtneming van het
naadje; dan neemt men, om de geer te beginnen, aan weers-
kanten van die maas, welke juist tegenover het naadje, '/j
van het aantal opgeslagen mazen op eene afzonderlijke naald.
Men werkt deze mazen in heen- en teruggaande toeren,
waarbij men, aan het einde van eiken toer, de naastbijzijnde
maas van de naaste naald op de werknaald overneemt; zoodat
de geer bij eiken toer eene maas breeder wordt. Hiermede