Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
nu zoolang tot de voet even wijd is als het been in het 2e
rechte deel.
De rechte voet wordt ongeveer tweemaal zoo lang gebreid
als de minderingvoet; doch wijl niet alle voeten even groot zijn,
moet men hier naar omstandigheden het deel iets grooter of iets
kleiner nemen.
Bij eene welgeslaagde kous moet de geheele voet, dus het
2e hoofddeel, juist zoo lang zijn als de helft van het been of
Ie hoofddeel.
De teen, die nu nog moet worden gewerkt, kan op verschil-
lende wijzen worden gebreid. De gemakkelykste soort, ontstaat
aldus: Ie toer: 7 mazen breien 2 te zamen breien; 7 toeren
zonder minderen; 9e toer: 6 mazen breien, 2 te zamen breien;
6 toer zonder minderen. Zoo gaat men in afdalende reeks voort
tot men moet minderen zonder tusschenmazen, waarin de kous
wordt afgekant. Dit geschiedt om der netheid wille steeds aan de
keerzijde, en daartoe keert men de kous, wanneer de teen ongeveer
half gewerkt is, om. Het afkanten verricht men, deortelkens
een gebreide maas over de daarop volgende te halen. Men moet er
echter steeds op bedacht zijn, bij het afkanten tamelijk los te breien.
Een anderen teen breit men, door de voetnaald even zoo-
veel mazen te nemen als men op de zijnaalden te zamen heeft,
en mindert dan op de zijnaalden, evenals in den minderingvoet
5. plaats had; terwijl men
nu ook op de voetnaald ,
en wel n a de eerste twee
en vóór de laatste twee
mazen mindert.
Dit herhaalt men Smaal
om den anderen en daar-
na bij eiken toer, tot er
op de voetnaald 6 en op
elke zijnaald 3 mazen
overig zijn. Men noemt
nu die mazen der zijnaal-
den op éene naald en
breit die aan de keerzijde der kous met de mazen der voetnaald