Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
stelling te kunnen maken van den vorm, dien het te maken
voorwerp zal hebben. Men moet nauwkeurig berekenen hoeveel
mazen men voor de wijdte of breedte van 't voorwerp dient op
te slaan en hoeveel maasrijen of zoogenaamde toeren er voor de
lengte noodig zijn. Dit is bij effen breiwerk tamelgk gemakkelijk,
maar eischt nog al eenige moeite, indien men iets werkt, waarin
patronen voorkomen.
In 't laatste geval dient men te weten, hoeveel mazen het te werken
patroon breed en hoog is , om te kunnen berekenen hoeveel malen
dit naast en boven elkander gewerkt kan worden; terwijl men bij het
meerderen of minderen moet zorgen, dat men dit zóo inricht, dat
dat de volledigheid der figuren er zoo weinig mogelijk door lijdt.
Opdat de verschillende voorwerpen, die men wil vervaardigen,
een goeden vorm krijgen, moet men op bepaalde plaatsen min-
deren, indien men iets smaller of nauwer — en meerderen,
wanneer men het breeder of wijder wil hebben.
Het minderen heeft op twee wijzen plaats: óf door 2 mazen
samen te breien, óf door éene maas af te halen, de volgende te
breien en dan de afgehaalde over deze heen te halen. De laatste
wijze van minderen heet ook overhalen. Moet men twee ma-
zen te gelijk minderen, dan haalt men eerst eene maas af, breit
de twee volgende mazen samen en haalt de eerste er over heen;
men noemt dit ook wel dubbel minderen.
Het meerderen kan op drie wijzen geschieden. Ten 1® door
van éene maas twee mazen te maken; eene rechte en eene ave-
rechte; ten 2« door om de rechternaald den draad te slaan en
dien in een volgenden toer als eene maas te breien; ten 3« door
de bovenste lis van eene maas uit den voorgaanden toer op de
linkernaald te nemen en mede als eene maas te breien.
Daar de laatste manier de minst zichtbare is, gebruikt men
die bij effen gebreide voorwerpen.
Bij goed uitgevoerd breiwerk moeten alle mazen gelijk zijn en
vast aan elkander sluiten; hierbij is noodig dat de naalden geene
scherpe hoeken vormen zie fig. 3a maar stompe, als in fig. 36;
op de hoeken, d. i. aan het begin en het einde der naalden,
mogen geene holle plaatsen zijn; er mogen geene mazen blijven
liggen of half gewerkt worden, het geheel moet, ofschoon goed