Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
het zoogenaamde wolkammersgaren de beste soort; deze heeft
men niet in zulke fijne kleuren als het fabrieksgaren. De dikte
van de wollen garens is afhankelijk van de hoeveelheid draden
waarvan het is gesponnen; 4 en 5 draads zijn de meest gebruikte
soorten; voor borstrokken en andere groote kleedingstukken ge-
bruikt men 8 draads. De witte Leidsche wol is voor dit doel
het best geschikt. Garen, dat voor het spinnen geverfd is, is
sterker van kleur dan dat, hetwelk na het spinnen die bewerking
heeft ondergaan. Om dit te onderzoeken draait men den draad
open; is hij aan de binnenzijde lichter gekleurd, dan aan den
buitenkant, dan is hij na het spinnen geverfd. Ook daar, waar
soms een draad is saamgeknoopt, kan men zulks dnidelijk zien.
Wanneer men van 5 draads wol 80 mazen opslaat, zal men
om dezelfde wijdte te verkrijgen, van 4 draads 100 mazen moeten
opslaan; bij katoen maakt elke 2 nommers verschil in dikte
noodig dat men 3—5 mazen minder of meer moet opslaan, om
dezelfde wijdte te houden.
Breiwerk ontstaat, doordat men, met behulp van breinaalden
een draad van katoen of wol ineenslingert, zoodat er lissen
worden gevormd, die men mazen noemt.
Men onderscheidt: rechte, averreehte, recht-verdraaide,
averrecht-verdraaide en holle mazen. Bij de eerste 4
soorten van mazen, welke door 4 bewegingen ontstaan, treedt
het nuttige op den voorgrond; de holle maas dient meer ter
verfraaiing en is alleen dan nuttig, als ze gebruikt wordt bij
het meerderen, voor rijggaten of om eene schuif te vormen. De
rechte maas is de gemakkelijkste.
Wijl de mazen alle als lissen om de naald sluiten, neemt men
deze in de linkerhand en neemt met eene andere naald, van de
naastbijzijnde maas dat gedeelte, hetwelk naar de werkster gekeerd
is, op; men steekt zoodoende van voren naar achteren door de
maas. Nu slaat men den draad van voren naar achteren om de
werknaald, (die welke men in de rechterhand heeft) haalt haar
van achteren naar voren door de maas, scliuift de linkernaald
een weinig terug en laat haar van deze afglijden.
Bij het breien van rechte mazen schuift de naald vanonder
naar boven door de maas: de draad sluit zich loodrecht aan en