Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
153
draagt van wol en van katoen, dat de kous uit twee hoofddoelen
bestaat, n.1. het been en den voet, en dat deze de vormen
van beide ovengenoemde lichaamsdeelen moeten hebben; dat de
kous boven, bij de knie, wordt begonnen en daar wijder is dan
bij den voet, en dat men dus in het been moet minderen.
Bij de vervaardiging van het paar kousen gaat men iets
verder; dan deelt men mee, dat ieder hoofddeel weder uit 4
onderdeelen bestaat, welke dan opgenoemd worden; bij het 3'^«
paar kan men over de grootte dier onderdeelen en over de ver-
houding, waarin ze tot elkaar staan, spreken.
Zullen de leerlingen in het 2jaar in het hanteeren der naald
worden geoefend , dan geeft men ieder eene merklap van stramin,
eene tappisserienaald en een kluwen rood haakgaren, gemerkt:
W. W. 36. De ervaring heeft ons geleerd, dat dit haakgaren te
verkiezen is boven Turksch merkgaren of wol; 't eerste breekt
lichter en 't laatste is te dik, om altijd vlug door de kleinen in
de naald te worden gestoken ; waarbij nog komt, dat het spoedig
vlokkig wordt en breekt; rood haakgaren is sterk en komt goed uit.
Wijl zich aan eene merklap altijd maar een' zelfkant bevindt,
daar ze, twee in de breedte, worden geweven, gewenne men de
kinderen er aan, den zelfkant steeds naar de rechterhand te
houden; men late dan eerst de drie snijkanten omnaaien en ver-
teile hun, dat dit geschiedt om het uitrafelen te voorkomen. Is
dit omnaaien verricht, dan laat men aan den onderkant van den
doek, binnen de gekleurde randjes, eene rij voorsteken maken ,
daarna eene rij achtersteken en eindelijk eene rij stiksteken.
De onderwijzeres make deze steken alle aan het raam voor en
noeme de namen, terwijl ze tevens verteile, waarvoor ze dienen.
Nu gaat men over tot den merksteek; deze kan op het bord
worden voorgeteekend.
Men stelle zich daarbij voor, dat de naald, zie fig. 70, b.v.
bij e 3 van achter naar voren door de stof is gestoken; dan
wijst men op het bord aan, dat de naald weder bij y 5 inge-
stoken, achter langs gevoerd moet worden om bij e 5 weder
aan de voorzijde te verschijnen; daardoor ontstaat van e 3 tot
^ 5 de ondersteek, zooals die voorgesteld en kan worden voor-
geteekend op het bord, van l 3 tot n 5.