Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
120
alle omtrekken doorgeprikt, dan vult men een klein zakje, van
wit gaas of neteldoek, met fijn gewreven stijfsel of aardappel-
meel, en wrijft hiermede over het patroon. Neemt men dit nu
weg, dan vindt men op de stof witte stippeltjes, die den vorm
van het patroon te zien geven. Met een penseel, gedoopt in
eiwit en loodwit, trekt men deze stippellijnen na. Ook patronen
van soutachewerk kan men op deze wijze op de stof overbrengen.
HET K N O o P E N.
Het nieuwe handwerk, dat onder den naam van Filet-guipure
sedert eenige jaren veel opgang maakt, heeft de aandacht weder
meer doen vestigen op het knoopen, dat in den laatsten tijd wel
eenigszins uit het gebruik scheen te zullen geraken. Het knoopen
is een aangenaam handwerk, dat bestaat uit het vervaardigen
van mazen uit een enkelen draad katoen, wol of zijde , door
middel van fijne knoopen. Deze mazen vormen, al naar den
aard van den arbeid, rechte of schuine kwadraten. Het
is uiterst gemakkelijk van uitvoering, maar kan niet, zooals
haak- of breiwerk, weder worden uitgescheurd. Iedere maas
staat als het ware op zich zelve, wat ook weder dit voordeel
heeft, dat, wanneer eene maas breekt, de andere even vast
blijven als ze waren. Om te knoopen behoeft men eene naald en
een pennetje. De naalden zijn meestal van koper, soms ook
van staal, en bestaan uit een staafje, dat aan beide einden
boogsgewijs gespleten is, waardoor de beide oogen der naald
worden gevormd. Door deze bogen wordt de draad gewonden.
Bij fijn werk gebruikt men de fijnste naalden, zoodat ze zonder
moeite door de kleine mazen gaan. Heeft men een dikkeren
werkdraad, dan dient ook de naald dikker te zijn, om te
voorkomen dat zij buigt; voor zeer dikke wol en voor touw
worden zoogenaamde netnaalden van been of hout gebezigd.
Wol en katoen werkt men over houten, beenen of ivoren pen-
netjes. Deze moeten overal even dik en zeer glad en gelijkmatig
bewerkt zijn.
Werkt men met zijde, dan gebruikt men stalen pennen, en