Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
115
Wanneer men den omtrek van figuren festonneert, en ook
"wanneer men verbindingsstokjes maakt, brengt men zoo hier en
daar kleine picots aan. Deze picots, welke los op de stof liggen,
vervaardigt men van kettingsteken, waarvan de 1® in den laatst-
gewerkten festonneersteek vat; de 2« kettingsteek in den enz.
tot men 5, 7 of 9 gewerkt heeft.
Voor de omtrekken der figuren, die, zooals we reeds meer-
malen opmerkten, gefestoneerd worden, kan men ook den
inelkaar vattenden festonneersteek gebruiken. Deze wordt aldus
gewerkt: men maakt eerst op de gewone wijze een' steek;
wil men nu den maken, dan trekt men daar, waar men
wil insteken, den voorgaanden steek een weinig naar rechts en
steekt dan over dezen in. Zoo doet men in dit geval met alle
steken; men steekt dus hier niet — zooals gewoonlijk geschiedt —
rechts van den voorgaanden steek in,5maar links daarvan.
Wenscht men het werk een keurig net aanzien te geven en
schuwt men geene moeite, dan neemt men 2 naalden en 2
draden en werkt daarmee bij beurten, naar onder en naar boven
stekende. Deze wijze van werken noemen wij den dubbelen fes-
tonneersteek.
Als men niet op neteldoek werkt, dus direct op het patroon,
dan moet dit op dun katoen geteekend zijn. Men omgeeft de
buitenomtrekken van een figuur met een drie- vier- of vijfvou-
digen draad, welken men op de lijn legt, die den omtrek aangeeft.
Om dezen draad op de bedoelde lijn te bevestigen, moet men
met eene naald en eenen draad van de achterzijde naar boven ste-
ken , haalt dan den werkdraad door en steekt over de draden,
die den omtrek zullen vormen, weer naar de achterzijde. De
steken moeten niet ver van elkaar verwijderd zijn.
Evenals men bij poin-lacéwerk de omtrekken door lint aan-
geeft, worden ze hier door een meervoudigen draad aangegeven.
Is dit werk verricht, dan vult men de figuren met verschillende
kantsteken in, waarna men de omtrekken festonneert. Eischt het
patroon, dat ergens de omtrek van een figuur iets dikker of
breeder moet zijn, dan dient men op die plaats de draden van
den omtrek eenige malen naast elkaar te leggen. Is het werk
voltooid, dan knipt men aan de keerzijde de hechtdraden los
8*