Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
114
neteldoek, dat dient tot steun- of hulpfond, en zonder dezen
steun, 't Laatste is natuurlijk moeilijker, en eischt eene groote
mate van vaardigheid in 't hanteeren der naald. Wij raden daarom
onze lezeressèn, die dit werk nog nooit verricht hebben, aan,
zich eerst op neteldoek te oefenen. Men handelt daarbij als met
fransch of engelsch borduursel; men brengt n.1. het patroon, dat
nagewerkt zal worden, op papier over, hecht dit op eene stevige
onderlaag en spant daarna het neteldoek op. Desverkiezende kan
men het patroon ook rechtstreeks op het neteldoek overbrengen.
Begint men nu te werken, dan rijgt men den buitenomtrek der
figuren met eenen groven draad met fijne voorsteken om; zijn
de omtrekken voorgeregen, dan werkt men eerst de verbindings-
stokjes, evenals bij Venetiaansch borduursel; vervolgens wordt
het binnenwerk der patroonfiguren gewerkt. Dit doet men op
verschillende manieren. Kleine figuren kan men met de kant-
steekjes , die men bij poine-lacéwerk gebruikt, invullen; men
vatte daarbij echter niet in het neteldoek. Ook werkt men wel
hier en daar wieltjes, zooals we die op bl. 109 beschreven hebben.
In een vierkant kan men eene sierlijke ster aanbrengen; men
spant daartoe vier draden, t. w. 2 diagonalen en twee, die de
middens van de overstaande zijden van het kwadraat vereenigen;
dan rijgt men in 't midden, waar die draden elkaar kruisen,
een kleinen cirkel. Hierbij spanne men tevens, aan weerszijden
van eiken gespannen draad, nog een nieuwen, zoodanig, dat ze
bij het cirkeltje midden tusschen twee der eerst genoemde draden
bij elkaar komen, en aan den omtrek van het vierkant bij 2
naast elkaar liggende punten uitkomen. (Zie fig. 57). Men heeft
Fig. 57. nu 8 maal 3 spandraden; elke groep
van 3 draden wordt nu omwerkt met
den stopsteek. In het midden, waar alle
draden elkaar kruisen , werkt meh een
wieltje van het bovengenoemde cirkeltje;
de buitenomtrek van het vierkant wordt
gefestonneerd. We merken hierbij nog
even op, dat alleen het hechten der
spandraden, het voorrijgen van het cirkeltje en de festonneer-
stekenvan den buitenomtrek in het neteldoek mogen vatten.