Boekgegevens
Titel: De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Auteur: Berg-Stomp, T. van den
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1887
3e, veel verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1286
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204663
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Textiele werkvormen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrouwelijke handwerken in verband met de invoering volgens de Wet van 17 Augustus 1878 (STBL. no. 127)
Vorige scan Volgende scanScanned page
108
nog eens op dezelfde plaats in, waardoor het knoopje zeer hoog
op de stof komt te liggen.
Bedoelde steek heet, op deze wijze gewerkt, ook wel room-
steek (point de crème).
De moesjessteek wordt gevormd door 2 of 3 stiksteken,
die men op elkander legt, waartoe men bij het maken van den
2™ en 3«° steek telkens op dezelfde plaats insteekt, waar men
den eersten keer heeft ingestoken. Wenscht men groote moezen
te maken, dan rijgt men daarvoor een kleinen cirkel van voor-
steken, even als bij een vetergat, maar vult dien geheel met
voorsteken op en werkt hem over met den rechten platten
steek. Deze steek wordt, behalve voor moezen, ook gebruikt
voor gedeelten van bloemen en bladen. Men werkt den rech-
ten platten steek, na de omtrekken te hebben omgeregen
en opgevuld, evenals den rechten steelsteek.
Afgedeelde bladeren worden in twee helften gewerkt, zoodat er
in het midden een ader wordt gevormd. Zie fig. 49. Men begint,
^g na de figuur te hebben omgeregen
^^^^ en opgevuld, aan de punt van het
si^, werken en dient er bij te
P ' " ^^^ zorgen , dat de steken aan den binnen-
~ rand dichter aan elkander liggen dan
aan den buitenrand, terwijl ze ook
daar toch aan elkander moeten sluiten.
Bij de spits, aan de niiddenerf en aan
den buitenrand mag het blad niet zoo
dik zijn als op de andere plaatsen, hetgeen door 't opvullen kan
worden verkregen.
De schuine platte steek wordt op dezelfde wijze gewerkt
als de vorige, met dit verschil echter, dat de naald in schuine
richting door de stof wordt gestoken en meer in overeenstemming
met den schuinen steelsteek wordt uitgevoerd. Deze steek leent
zich uitmuntend tot het maken van arabeskachtige figuren. Om
aren en smalle, lange bladeren te werken kan men zich ook van
den omwoelsteek bedienen. Men neemt daarbij de geheele
lengte van eene aar of van een blad op de naald en omwoelt
die voor het uittrekken 8 a 10 maal met den werkdraad, houdt