Boekgegevens
Titel: Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Auteur: Spaan, J.
Uitgave: Amsterdam: H.J. van Kesteren, 1859
2e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1140 G 17
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204638
Onderwerp: Onderwijs: primair onderwijs
Trefwoord: Aanschouwelijk onderwijs, Didactiek, Lezen, Vormleer (wiskunde), Onderbouw (onderwijs), Lager onderwijs, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
89
Weet ge wel, wat we bij de nagels in aelit te nemen hebben?
// tr tf n // // tf laude7l " tf n 'f f
n n u f n n u haven » " " » "
(De haren zijn rond, glad, taai, buigzaam en veêrJcrachtig.
Hoewel zij in het begin gewoonlijk licht van kleur zijn, worden
zij echter van tijd tot tijd donkerder.) — De huid kan zijn:
dik of dun, ruw of fijn, hard of zacht, glad of ruig. Zij
heeft wel millioenen gaatjes. Waartoe dienen die? Wel, wat
zit er voor namelijk onder die huid ? (Vleesch, bloed en been-
deren.) Het vlecseh is zacht, het bloed is vloeibaar en de
beenderen zijn..... Wat is nu van ons ligchaam zacht ?
hard? vloeibaar? Welke kleur heeft het bloed? Is het koud
of warm? Hebben de visschen ook rood warm bloed?
Ons bloed wordt in omloop gebragt door het hart. Dit ligt
in de borstholte, en brengt het bloed in beweging en rond-
gang , en het is daarmede zoo gesteld, dat, als het bloed stil,
in rust was, wij zouden sterven. Dat wilt ge niet gaarne,
wel? Als wij sterven, wat gebeurt er dan? en als wij leven,
wat heeft er dan met ons bloed plaats? Wat moeten wij doen,
om te blijven leven? Zoo lang we leven, hebben wij gevoel,
maar als we dood zijn, dan....? Wie laat ons leven? enz.
(Zedelijke toepassing.) Is ons gevoel overal even fijn? Waarom
is het aan de toppen der vingers fijner? Kan dit ook geoefend
worden? Waarom zitten daar nagels? enz.
Komt, wij hebben nu over het geheele ligchaam gesproken,
vooral ten aanzien van het gevoel. Laten we nu weêr de dee-
len nagaan, dan komen wij van zei ven aan de andere zintui-
gen. Gij weet nog, wat zintuigen zijn? Hoeveel?
I HET HOOI'D. a. De schedel.
1. Het haar,
2. de kruin,
b. Het aangezigt.
1. Het voorhoofd,
2. de wenkbraauwen, regter en linker,
3. de oogen, u » »
4. de wangen , // n u
5. de neus,
tt. de mond.