Boekgegevens
Titel: Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Auteur: Spaan, J.
Uitgave: Amsterdam: H.J. van Kesteren, 1859
2e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1140 G 17
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204638
Onderwerp: Onderwijs: primair onderwijs
Trefwoord: Aanschouwelijk onderwijs, Didactiek, Lezen, Vormleer (wiskunde), Onderbouw (onderwijs), Lager onderwijs, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
O. Ploeveel neuzen hebt gij? Waartoe is de neus? (Om te
ruiken en te ademen.) Wat kan men ruiken? Welke lucht moet
gij inademen? Wat ruikt gij gaarne? Welke neuzen zijn er al?
(Groote en kleine, spitse en stompe, kromme en regte, wip en
mopneuzen.)
Onder den neus wordt gevonden.....?
K. De mond.
O. Goed geraden. De mond dient vooral tot...... (praten,
ademhalen, eten en drinken.) Men kan zacht en luid, langzaam,
vlug, veel en weinig, duidelijk en onverstaanbaar praten. Ook
kan men met den mond zingen, schreeuwen, enz., niet waar ?
Wat eet men? Wat lust gij gaarne? Hoe moet men eten? Lang-
zaam of schielijk? matig of onmatig? ordelijk of ongemanierd?
Wat drinkt men? w-elke drank is voor kinderen gezond? enz.
Men kan de oogen openen en sluiten, waartoe is dat goed ?
Wat vindt men onder aan het aangezigt? (Hij wijst.)
K. De kin.
O. Hebben alle menschen een gelijke kin? (Er zijn spitse,
breede, lange, ronde, vooruitstekende kinnen.) Wat zijn onderkinnen ?
Zoo dan hebben wij de deelen van het aangezigt geëindigd.
Wie kan ze opnoemen?
K. 1. Het voorhoofd,
2. de wenkhraauwen, regter en linker,
3. de oogen, .... a « »
4. de wangen, ... // » h
5. de neus...... // u // ?!
6. de mond,
en 7. de kin.
O. Wat is van al die deelen het hoogst? het rondst? het
kleinst? het laagst? Wat steekt het meest vooruit? Wat is er
tweemaal van ? wat eens ? enz. Nu hebben we den schedel en het
aangezigt af; welk deel van het hoofd zal volgen?
K. Be zijden van het hoofd.
O. Bravo! Hoeveel hoofdzijden zijn er? 25?
A'. Hel hoofd heeft twee zijden. (Voorts regter en 1. z.)