Boekgegevens
Titel: Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Auteur: Spaan, J.
Uitgave: Amsterdam: H.J. van Kesteren, 1859
2e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1140 G 17
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204638
Onderwerp: Onderwijs: primair onderwijs
Trefwoord: Aanschouwelijk onderwijs, Didactiek, Lezen, Vormleer (wiskunde), Onderbouw (onderwijs), Lager onderwijs, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
K. Het voorhoofd is het bovenste van het aangezigt.
O. Goed gezegd. Wat kan men met het voorhoofd doen?
K. (Zij zwijgen.)
O. Ziet eens, hoe het voorhoofd verandert, als ik eerst naar
de hoogte en dan naar de laagte zie; het eerste noemt men
fronsen; hoe zeg ik ?
K. Fronsen.
O. En het andere ontfronsen. Zegt dit ook eens!
K. Ontfronsen.
O. Wat is nu het fronsen van het voorhoofd? Wat het ont-
fronsen ? In jeugdigen leeftijd is het veelal glad, in den ouderdom
berimpeld. Wat vindt men onder het voorhoofd? (Hij wijst aan.)
K. De oogen zijn onder het voorhoofd.
O. Hoeveel oogen hebt gij? waar is het regter? het linker?
Wat weet gij van de oogen te zeggen? Waartoe dienen zij?
Wat is blind? Waartoe zijn brillen? Men kan de oogen openen
en sluiten-, met de oogen? — zien, loerken, scheelzien, tranen
storten. Wat ziet gij al? enz. Boven de oogen, onder aan het
voorhoofd zijn haartjes, ziet eens (hij wijst), die men wenkbraau-
wen noemt, en dus ook onderscheiden worden in regter- en linker-
wenkbraauw. Waar is de regter? Waartoe dienen zij? (Om het
zweet zijdelings af te voeren, opdat het den oogen niet zou hin-
deren.) Nu hebben wij reeds als deelen van het aangezigt.....?
K. Het voorhoofd, de icenkbraamcen, regterwenkbraauw, lin-
kerwenkbraauw, de oogen, regter oog en linkeroog.
O. Wat vindt men onder de oogen ? (Hij wijst.)
K. Be koonen, meester!
O. Ja, maar 't is beter, dat ge zegt de wangen, doet dit
eens!
K. De wangen zijn onder de oogen. J
O. Zijn alle wangen even kleurig? even bol? wat zijn dikke
wangen? bolle wangen? magere wangen? bleeke wangen? Hoe
worden zij onderscheiden? waar is de regterwang ? de linkerwang?
wat zit er tusschen de wangen ? (Hij wijst.)
K. De neus.
fl