Boekgegevens
Titel: Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Auteur: Spaan, J.
Uitgave: Amsterdam: H.J. van Kesteren, 1859
2e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1140 G 17
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204638
Onderwerp: Onderwijs: primair onderwijs
Trefwoord: Aanschouwelijk onderwijs, Didactiek, Lezen, Vormleer (wiskunde), Onderbouw (onderwijs), Lager onderwijs, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding voor aankomende onderwijzers tot een doelmatig klassikaal-onderwijs, aan de laagste klasse eener lagere school, tevens nuttig voor bewaarscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
O. Maar wij zeggen ieder mensch. Zijt gij dan ook een
inensch? enz. Hierop spreke men over het rein houden.
Aanmerking. In het vervolg, om zoo kort mogelijk te zijn,
zal niet altijd meer gezegd worden aan te wijzen, wat men
bespreekt. Tot bevordering van aandacht, levendigheid en
duidelijke bewustheid, zij het al deze oefeningen door eene
wet, om alles behoorlijk met de handen aan te duiden, wat
het onderwerp van behandeling is.
O. Ziet eens dit groote deel van ons: (Hij wijst den romp.)
hoe zou dat heeten?
K. (Enkelen zeggen het lijf.)
O. Nu, ja! dat zegt men ook wel, maar beter is het toch
te zeggen: de romp, want het lijf ziet ook op hoofd en hals.
Hoe zeg ik ? gelijk!
K. Be romp.
O. Wat was ook weêr het eerste hoofddeel?
K. liet hoofd.
O. Wat was beneden het hoofd?
K. Be hals.
O. Wat is nu onder den hals?
K. Be romp.
O, Wat is het grootste van deze drie? wat is breeder? wat
het smalste? wat het rondste? wat het hoogste? het laagste? het
middelste? wat is boven den hals? wat is onder den hals? wat
is boven den romp? enz.
O. Hoe heeten die beweegbare deelen daar boven aan den
romp? (de armen wijzende.)
K. Be armen.
O. Hoeveel armen hebt gij?
K. Twee, meester!
O. Wijst aan en zegt: ieder mensch heeft twee armen.
K. (Zij doen dit. Ook: ik heb twee armen.')
O. Maar ik heb toch wel iemand gekend, die maar een
arm had ?